Anansi de overlever

inlaydvd2

In het programma Anansi Masters worden door de Stichting Vista Far Reaching Visuals de Anansi-verhalen nagereisd en opgenomen, zoals die nu verspreid over de wereld te horen zijn. Veel van de opnames zijn te vinden op www.anansimasters.net en de eerste reeks opnames werd op dubbel-DVD uitgegeven als Waarom alle verhalen Anansi’s naam dragen (2008). In Ghana werden toen de verhalen in het Twi opgenomen, en in Amsterdam en Rotterdam voornamelijk in het Nederlands. In de Nederlandse opnames komen we geroutineerde (professionele) vertellers tegen als Wijnand Stomp, Hilli Arduin en Olga Orman. Inmiddels is er een tweede dubbel-DVD geproduceerd met opnames gemaakt op Curaçao en op Aruba: Anansi Masters: The Story Continues (2012).

Wie een beetje romantisch is ingesteld, kan zich voorstellen dat er nu een historische lijn in beeld wordt gebracht: van de oude traditionele Afrikaanse Anansi-verhalen, naar de koloniale Caraïbische verhalen en tenslotte naar de contemporaine Nederlandse vertellingen. Maar let wel! Strikt genomen hebben we in alle gevallen met contemporaine verhalen te maken: we krijgen de verhalen te horen zoals ze NU in Ghana, op Curaçao, Aruba, in Amsterdam en Rotterdam verteld worden. Alle vertellers zijn levende vertellers van NU, en dat geldt evengoed voor de Ghanese boer Kojo Anim, als voor performer Wijnand Stomp. En natuurlijk kunnen we in alle verhalen wel wat van hun roots zien, maar je weet bij mondelinge overlevering van verhalen nooit goed wat nu echt oud is, en wat er nieuw bijverzonnen is. Daar kan je alleen maar achter komen als alle Anansi-verhalen steeds systematisch waren opgetekend – quod non. Pas tegen het eind van de twintigste eeuw vlamt de belangstelling ineens in alle hevigheid weer op: de Anansi-verhalen moeten vastgelegd worden, opgetekend en weer naverteld, onderwezen en gekoesterd, omdat ze onlosmakelijk deel uitmaken van een cultuur van Afrikanen, diaspora, slavernij en kolonialisme, bevrijding en emancipatie, zelfbewustzijn en emigratie.

De Ghanese Anansi van vandaag moet je eigenlijk met een vergrootglas zoeken. Álle dierverhalen, álle fabels heten in Ghana tegenwoordig Anansiverhalen (daar bestaat zelfs een Anansiverhaal over). In de eerste DVD-opnames uit Ghana horen we veel fabels, maar komt Anansi zelf zelden opdraven. Toch mogen we uit oudere literatuur wel aannemen dat de Afrikaanse Anansi de Spin een half-goddelijke status had, en een bemiddelende rol tussen god en de mensen vervulde. Anansi is daarbij lang niet altijd een sympathiek of betrouwbaar wezen.

Zijn mythische status verliest Anansi in de Caraïben: hier wordt hij een aardse spin met een gezin, terwijl zijn rol van trickster verder wordt uitvergroot. Van de West-Indische verhalen wordt vaak beweerd dat ze onlosmakelijk verbonden zijn met de slavernij. De geschiedenis van de Afrikanen in de West-Indies is zeker onlosmakelijk verbonden met de slavernij. In bepaalde verhalen – een minderheid overigens – zie je dat nog terug: daarin moet Kompa Nanzi het als kleine spin opnemen tegen grote machthebbers als de koning, Shon Arei, en zijn handlanger Cha Tiger. In de meerderheid van de verhalen neemt Nanzi het niet op tegen zijn meerderen, maar tegen gelijken of minderen. In die verhalen is er altijd maar schaarste, heeft Nanzi altijd maar honger, en heeft hij vaak vele gezinsmonden te voeden. Al deze verhalen wijzen qua ouderdom op de periode vlak nà de afschaffing van de slavernij, een periode die werd gekenmerkt door misoogsten en hongersnood. Je zou kunnen zeggen dat de Nanzi-verhalen die nu op Curaçao en Aruba verteld worden uiteindelijk een eeuw tot anderhalve eeuw oud kunnen zijn. In nagenoeg alle verhalen betoont Anansi zich een survivor overigens: Anansi forever!

Verder is de mondelinge overlevering niet alleen maar afhankelijk van verhalen die doorverteld werden. Meer en meer begint het tot onderzoekers door te dringen, hoe belangrijk schriftelijke optekeningen, tijdschriften en boeken zijn geweest. De Arubaanse vertelster Desiree Correa maakt dat eens te meer duidelijk, want zij zwaait dankbaar met de heruitgave van het tweetalige boek van Nilda Pinto getiteld Hoe Nanzi de Koning Beetnam uit 2006. Ruim de helft van de verhalen die op de DVD verteld worden, staan ook in het boek van Pinto. Ik heb ooit in het algemeen het aantal verhalen proberen te tellen waarin Anansi voorkomt: op zeker moment bleef ik steken op een repertoire van circa 130 verhalen, want daarna kwam ik alleen maar versies van de bekende verhalen tegen. Op de dubbel-DVD Anansi Masters: The Story Continues staan echter weer zes nieuwe Anansi-verhalen, waaronder het verhaal ‘Hoe Anansi zijn Afro-kapsel verloor’. Het lijkt er verder op alsof met name de verhalen over Kompa Nanzi tegen de koning of tegen de tijger erg populair zijn gebleven: is dat een bewust opgehaalde herinnering aan een onrechtvaardig verleden, of scheppen de vertellers gewoon plezier in een optimaal ondeugende Nanzi?

Ronden we het geschiedverhaal af: in de twintigste eeuw komt er een migratiestroom op gang naar het land van de voormalige kolonisators. Alhoewel het vertellen van Anansi-verhalen aanvankelijk lijkt in te zakken, treedt er met het toenemende zelfbewustzijn een ommekeer op: de Anansi-vertelcultuur krijgt een boost, en het missiewerk lijkt bovenal vanuit Nederland op gang te komen. Inmiddels kunnen we stellen dat Anansi als cultuurfenomeen weer voldoende op de kaart is gezet om de komende decennia te overleven. Maar hoe overleeft hij in Nederland? De woorden ‘verharmlosung’, ‘verburgerlijking’, en ‘vertrutting’ vallen. Laten we wel wezen: wat Nanzi in het verleden bij tijd en wijle uithaalde, was destijds in een verhaal wel lollig, maar is volgens moderne maatstaven gemeen, immoreel of zelfs crimineel. In de oude Caraïbische verhalen gaat Nanzi soms letterlijk over lijken om aan een beetje voedsel te komen. Dat is echt niet meer van deze tijd. En dus worden de verhalen in Nederland soms anders herverteld of herschreven. Hoe Anansi het tumbafestival won van Olga Orman en Johan Volkerijk is bijvoorbeeld een alleraardigst kinderboekje en kindervertelling geworden, maar in feite veel te lief en te braaf. Anansi is niet meer de ouderwetse etterbak-van-een-egoïst (net zoals de Nederlandse Reinaert de Vos ooit was, maar die nu ook grotendeels zijn streken lijkt te hebben verloren). Veel te vaak is de angel uit het verhaal in Nederland – dat vind ik persoonlijk jammer, maar het is ook alleszins een teken des tijds.

De DVD Anansi Masters: The Story Continues bevat 32 Nanzi-verhalen: 18 uit Curaçao en 14 van Aruba. De vrouwelijke vertellers zijn licht in de meerderheid: er zijn 14 mannen aan het woord en 18 vrouwen. Verschillende vertellers worden aan het eind kort geïnterviewd en het is opvallend hoe vaak de vrouwen antwoorden dat ze kleuterjuf, schooljuf of theaterdocent zijn. Het lijkt me niet teveel gezegd dat de revitalisering van Nanzi voor een flink deel te danken is aan vrouwen in het onderwijs. De geïnterviewden antwoorden op de vraag ‘Wanneer hoorde je voor het eerst Nanzi-verhalen?’ vaker “op school” dan “thuis”. Op de DVD wordt één verhaal in het Engels verteld, maar de rest is in een zoetgevooisd papiamento/papiamentu – ze krijgen steeds een ondertiteling in het Engels.

De opnames in Ghana en Curaçao zijn wat minder van geluidskwaliteit vanwege de buitenopnamen: er is respons uit het publiek of veel omgevingslawaai en zelfs een onrustig beeld: op Curaçao lopen voortdurend mensen achter langs het beeld en er rijden telkens auto’s voorbij. Vlakbij wordt feestelijke muziek gedraaid, en als er een luidruchtige toeristenbus voorbij komt, moet de vertelster gewoon even stil houden. Hoe anders zijn de opnamen in Aruba, Rotterdam en Amsterdam: hier zijn de opnames in een gesloten ruimte met goed gerichte opname-apparatuur. Deze opnames zijn beter te volgen omdat ze meer voldoen aan een ‘westers verwachtingspatroon’: naar een verteller luistert men aandachtig en is het verder stil.

Een leuk verhaal vond ik ‘Nanzi en de vloek van Cinco’ van Armine Marisol Medina Acosta. In het interview vertelde ze dat ze het verhaal deels zelf had geschreven, geïnspireerd op een Jamaicaans verhaal dat ze op internet had gevonden. Als ik me niet vergis heeft Hilli Arduin dit verhaal ook op haar repertoire, over ‘Heks Vijf’. Misschien wel het leukste verhaal – ook goed qua performance – vond ik het verhaal ‘Nanzi’s spelletje’ van Laurina Leshomme, waarin Anansi mensen uitdaagt om hem drie woorden na te zeggen. Bij het tweede woord roept Anansi “Fout!!” en de mensen worden voortdurend bozer, tot ze het uiteindelijk begrijpen. Overigens heb ik in een aflevering van Sprookjesboom de Heks van de Efteling hetzelfde verhaal horen vertellen. Goede verhalen vertellen zichzelf als het ware gewoon door…

Nu is het natuurlijk nog wachten tot Anansi Masters opnames op DVD zet van de Anansi Tories zoals ze nu in Suriname worden verteld – hopelijk weet het project ook hier weer voldoende subsidie voor te werven.

DVD: Anansi Masters: The Story Continues. Nanzi Stories from Curaçao and Aruba. Vista Far Reaching Visuals Foundation, 2012. More information: www.anansimasters.net

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Het sprookje van Roodkousje

In de Nederlandse vertaling uit 1819 van Den ridder Don Quichot van Mancha (deel 1) van Cervantes zegt een pastoor op pagina 399:

Hij heeft mij eens zijne leevenshistorie verteld; en dezelve is zo wonderlijk, dat zo een ander mij die verhaald hadt van minder geloofwaardigheid, ik zou zijn vertelling voor een sprookje van het roodkousje gehouden hebben.

In onze vaderlandse letterkunde wordt er af en toe gezinspeeld op het bestaan van een sprookje van Roodkousje, maar nooit wordt er ook maar een hint gegeven waar dit sprookje over gaat, kennelijk omdat het overbekend is. De eerste inval die iemand zou kunnen hebben is: dat zal dan wel het sprookje van Roodkapje geweest zijn. Maar er is geen enkele versie van dit sprookje bekend waarin het meisje geen rood kapje draagt maar rode kousjes. Het Woordenboek der Nederlandse Taal houdt het derhalve hier op:

Als eigennaam, nagenoeg uitsluitend voorkomend in de verbinding het sprookje van (het) Roodkousje, een eertijds zeer bekend en ook thans nog niet geheel vergeten plaagvertelsel; zie verder Boekenoogen in Volkskunde 20, 131 volg. en 205.

G.J. Boekenoogen was eind negentiende eeuw enkele relicten van Roodkousje op het spoor gekomen. Op 29 maart 1892 krijgt hij de volgende optekening per brief uit Leiden toegezonden:

Een plaagliedje
De kinderen smeeken de oudste zuster om een vertelling en zij zegt eindelijk: “Nu zal ik je dan vertellen, een mooi avontuurtje, een schoon avontuurtje van rood rood kousje? Wil je het weten, dan zal ik het je zeggen.” De kinderen: “Ja, asjeblief.” De vertelster: “Neen, het is niet ja asjeblief, maar het is een mooi avontuurtje, een schoon avontuurtje, een avontuurtje van rood rood kousje, wil je het weten, dan zal ik het je zeggen.” De kinderen allen: “Ik wil het weten!” De oudste zuster: “Neen, het is niet ik wil het weten, maar een mooi avontuurtje” en al zoo door tot eindelijk de geplaagde kleinen met gesloten vuistjes op de verhaalster aanstormen in dolle woede, en de zuster eindelijk tot diepe teleurstelling der kleinen bekennen moet, dat zij er ook niets van weet. Die roode roode kousjes waren toen ter tijd zoo heerlijk om te hooren zeggen, toen wij niets dan witte kousjes zagen of aanhadden.

Dat het om een plaagvertelsel zou gaan, lijkt bevestigd te worden door Adriaan Beets (de zoon van de schrijver Nicolaas, en net als Boekenoogen redacteur bij het WNT):

Een kort avertuurtje, een lang avertuurtje, van rooje en witte kousjes.
Ik zal je es ‘n avertuurtje vertellen, een kort avertuurtje, een lang avertuurtje, van rooje en witte kousjes. Vind je ‘t mooi? Ja.
Nou, dan vertel ik je een kort…
(van Woutje Bakker, dienstbode van mijne ouders omstreeks 1874, geb. Harderwijk)

Het sprookje komt als plaagvertelsel derhalve nooit op gang, maar blijft als het ware in de groef hangen. Dit kan verklaren waarom we nooit iets concreets over de inhoud vernemen.

Alhoewel dit inmiddels al tijdenlang de meest gangbare verklaring is, blijft er iets knagen. Waarom wordt het Roodkousje in de oudere letterkunde toch regelmatig opgevoerd als een sprookje dat iedereen van haver tot gort kent, dat verder geen toelichting behoeft, en dat min of meer synoniem staat met bakerpraat en oudewijvenleuter?

In een wat oudere publicatie, De Volksvermaken uit 1871, kwam Jan ter Gouw nog met een heel andere verklaring. Hij identificeert de sprookjes van Moeder de Gans met het sprookje van Roodkousje. Roodkousje is een “vette gans: men behoeft slechts naar haar pooten te zien, om te begrijpen hoe zij in de kindertaal dien naam kreeg.” Moeder de Gans werd in de Nederlandse volksmond dus Roodkousje genoemd, en dit verklaart wederom waarom we niets weten over de inhoud van het sprookje. Het gaat immers helemaal niet om één sprookje, maar om een hele bundel.

Die bundel werd in 1697 gepubliceerd door Charles Perrault als Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l’Oye. Het laatste deel van de titel is uiteindelijk het beroemdst geworden. Nederlandse uitgaven van dit Franse sprookjesboek lijken de veronderstelling van Jan ter Gouw te ondersteunen. Uit circa 1750 kennen we de Vermaaklijke vertellingen van den ouden Tijd, of zoogenaamde sprookjes van het Roodkousje; zijnde de vertellingen van Moeder de Gans. Zo’n titel laat toch weinig te raden over, zou men denken. Een aanverwante editie in duodecimo, begin negentiende eeuw in Amsterdam uitgegeven door de Gebroeders van Arum (te koop voor 50 cent), heet: Spreukjes van roodkousje, of vertellingen van grootvader Zwaan, met gekleurde plaatjes.

Net als we besluiten dat dit een fraaie verklaring voor Roodkousje is, duikt er een nieuwe vindplaats op. In 1691 verschijnt er een Nederlandse vertaling van een blijspel van Molière onder de titel: School voor de jaloerschen. In dit stuk zegt het personage Santilane op pagina 22:

Zeg datze by my komt hier beneden; Ik zal haar geen sprookje van ‘t roodkousje, noch slechte reden verhalen.”

Deze tekst is zes jaar eerder verschenen dan het boek van Perrault: het Roodkousje is dus onmiskenbaar ouder dan Moeder de Gans. En weer suggereert de uitdrukking dat iedereen wel snapt wat het sprookje van het Roodkousje is. Het lijkt een begrip sinds jaar en dag.

Dat hebben wij weer! Hebben we eindelijk eens een sprookje dat echt typisch Nederlands kan zijn, kunnen we het nergens meer terugvinden! Alhoewel… in een Catalogus van schilderyen, verkogt den 9 Augustus 1739, in Amsterdam, wordt als vijftiende item het volgende aangeboden:

Een bekent stukje, door Jan Steen, verbeeldende het Rood kousje, twee beeldjes extra puik.

Wat er met dat laatste bedoeld wordt, is me niet helemaal duidelijk, maar de zeventiende-eeuwse schilder Jan Steen heeft dus een schilderij gemaakt van Roodkousje, en dat is blijkens de catalogus een “bekent stukje” – ofwel het schilderij van Steen, ofwel het afgebeelde tafereel. Het schilderij van Roodkousje is thans in het bezit van het Rijksmuseum en heet officieel Het toilet

Image

Als we de kunsthistorici mogen geloven dan is dit onmiskenbaar de afbeelding van een prostituée. Alle symbolen, ook de rode kousen, wijzen op onkuisheid en hoererij. Het verhaal van Roodkousje hoort dus mogelijk thuis in dezelfde categorie als het lied van Kortjakje. Bij het woord ‘sprookje’ moeten we ons in de zestiende en zeventiende eeuw ook niet al te veel lieflijks indenken. Het lijkt erop dat het verhaal van Roodkousje in deze eeuwen in de mondelinge overlevering al spreekwoordelijk was geworden, maar we hebben misschien wat te lang in de verkeerde richting gezocht. De zoektocht gaat door, maar nu naar het (leugen- of leuter-) verhaal van een vrouw van lichte zeden. 

2 Comments

Filed under Uncategorized

Hoe broodjeaapverhalen aan hun Broodje Aap kwamen

In sommige landen krijgen moderne sagen als genre een speciale naam. In Zweden heten ze Klintbergers omdat ze daar verzameld en gepubliceerd zijn door Bengt af Klintberg. In Nederland hebben de sterke verhalen ook een bijzondere naam: broodjeaapverhalen (volgens het Groene Boekje moet je dat tegenwoordig aan elkaar schrijven). Dat deze naam ontleend is aan de titel van het eerste boekje met Nederlandstalige urban legends uit 1978, namelijk Broodje Aap van Ethel Portnoy, is geen geheim. Portnoy gaf de verhaaltjes uit onder de ondertitel De folklore van de post-industriële samenleving. De titel van het boekje is ontleend aan de titel van één specifiek verhaal dat uitgever Jaco Groot van De Harmonie erg aansprekend vond (aldus docent journalistiek en nieuwe media Peter Burger). Aangezien het om een Nederlands boekje gaat, is het eigenlijk een beetje raar dat het verhaal ‘Broodje Aap’ zelf helemaal niet in Nederland speelt. Het verhaal gaat zo:

Broodje aap

Op een avond kreeg de politie in een achterbuurt van de Bronx een telefoontje: er was op straat een onthoofd, van de huid ontdaan lijk aangetroffen. Ze brachten het snel naar het politielaboratorium waar de patholoog-anatoom verklaarde dat het niet het lichaam van een mens, maar van een gorilla was. Het bleek dat twee vrachtauto’s in botsing waren gekomen, de een bij het wegrijden, de ander bij het binnenrijden van een hotdog fabriek. De achterdeuren van de laatste waren opengeklapt en het kadaver was de straat ingerold. Toen de politie een onderzoek instelde in de fabriek, vonden ze er gevilde en onthoofde kadavers van een aantal apen en beren. De fabrikant bekende ze voor een zacht prijsje te hebben gekocht van de dierentuin. (p. 116)

Image

Broodje Aap uit 1978

Het verhaal speelt in de VS. Het verhaal kan niet in Nederland spelen omdat hotdogs hier in 1978 nog geen gemeengoed waren. Nu was de schrijfster van origine Amerikaans, evenals trouwens de illustrator van het boekje Scott Neary. Ethel Portnoy werd in 1927 geboren in Philadelphia, maar groeide in de Bronx in New York op als dochter van Russisch-joodse immigranten. In 1950 vertrok ze naar Europa, ging in Parijs culturele antropologie en archeologie studeren, ontmoette de Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek en trad in 1951 met hem in het huwelijk. In 2004 is Ethel Portnoy overleden in Den Haag.

De moderne sage van het Broodje Aap is in Nederland nooit uit de mondelinge overlevering opgetekend, noch vóór noch na de publicatie van Portnoy. De paar Neder­landse ‘optekeningen’ die we van ná het boekje hebben, zijn letterlijke overschrijfsels van de tekst van Portnoy. Aangezien de schrijfster zelf in The Bronx heeft gewoond, zou men verwachten dat ze het verhaal daar ook zelf gehoord heeft. In de noten achterin het boekje schrijft Portnoy evenwel:

Ik kreeg één versie van dit verhaal van Scott Neary (die de fabriek situeerde bij Hunt’s Point in het zuiden van de Bronx), en vond later nog een andere versie in De Telegraaf, in een rubriek getiteld ‘Zo eet Amerika’, vanuit New York opgestuurd door Edo Brandt. In de versie van Brandt was het lijk in de goot niet alleen onthoofd, maar ook gevild, waardoor het, vermoedelijk, nog meer leek op het lichaam van een mens. (p. 211)

Portnoy kende het verhaal dus niet zelf, maar in twee versies van haar illustrator en van een journalist. De versie van Scott Neary valt niet te achterhalen, maar de versie van de journalist wel. In de Telegraaf van dinsdag 16 maart 1976 schreef correspondent Edo Brandt op pagina 7 in de column ‘New York’ een stukje onder de titel ‘Zo eet Amerika’. Het tot nu toe oudst-bekende broodjeaapverhaal over het Broodje Aap komt bij Brandt aan het einde van zijn bespiegelingen en luidt aldus:

De hot-dogs worden vervaardigd uit runder- en varkensvlees. In de noordelijke wijk van New York, de Bronx, hebben de inwoners enige tijd voldoening kunnen smaken om hot-dogs te eten van gorilla- en berevlees en mogelijk van nog enkele andere min of meer exotische vleessoorten. Zij waren er trouwens niet van op de hoogte te zijn uitverkoren tot debutanten in het verorberen van deze bizarre lekkernijen.

Het ware verhaal luidt als volgt. Op het politiebureau in de Bronx, luisterend naar de naam “Fort Apache” vanwege de vele belegeringen door heethoofdige buurtbewoners, komt op een avond een telefoontje binnen dat in een goot het lijk van een onthoofde en gevilde man is gevonden.

Geen opwekkende klus voor de geharde mannen van Fort Apache, die over het algemeen toch zijn gewend aan toestanden, waarbij vergeleken het Amsterdamse bureau Warmoesstraat een rusthuis is.

[…]

Kortom, een patrouillewagen trekt er op uit en de ambulancedienst wordt gewaarschuwd. En inderdaad, daar in de rillerige avondlucht ligt het duidelijk ontzielde lichaam. Wel een erg groot lichaam, vinden de politiemannen. De dokter verricht zijn routine-onderzoek snel en deskundig. “Rare zaak,” mompelt hij plotseling. “Dit was geen mens, maar een gorilla.”

Het duurde enige tijd voordat de oplossing van deze unieke zaak was gevonden. Eerst werd ongeveer op dezelfde plaats nog het onthoofde en eveneens gevilde lichaam van een beer aangetroffen, maar toen waren de speurders er ook gauw achter.

Het ging hier om dieren, die waren gestorven in de Bronx Zoo, één van de grootste dierentuinen ter wereld. Een worstfabriek in Bronx ontfermde zich vervolgens liefdevol en tegen een lage kostprijs over de kadavers, die vrolijk tot hotdogs werden vermalen. Smakelijk eten.

Let wel: de journalist vertelt het verhaal niet als een onwaar broodjeaapverhaal, maar als een stukje waargebeurd nieuws, zoals het een goed broodjeaapverhaal betaamt.

Image

De oudste versie van het Broodje Aap in de Telegraaf van 16 maart 1976

 

De urban legend van het Broodje Aap heeft het in de Nederlandse mondelinge overlevering nooit echt geweldig gedaan. Je kunt je zelfs afvragen of het überhaupt wel een Nederlands verhaaltje is. Anderzijds, een breed circulerend Amerikaans verhaaltje lijkt het ook niet te zijn, want volksverhaalonderzoekers hebben in de VS nooit een versie van het Broodje Aap opgetekend. In de omvangrijke encyclopedie van Amerikaanse urban legends van Jan Harold Brunvand komt het verhaal niet voor.

De vertelling van het Broodje Aap is in essentie een verhaal over geknoei met voedsel. Goedkope dierenlijken worden gebruikt om een gewild product als de hotdog op een goedkope manier van suspect vlees te voorzien. Het vlees is in tweeërlei opzicht suspect. Ten eerste gaat het om kadavers van dieren waarvan niet bekend is waar ze aan zijn overleden. Ouderdom? Ziekte? Het kweken en slachten van vlees voor consumptie is niet voor niets aan allerlei regels gebonden. Ten tweede eten we als mens – afhankelijk van onze culturele en religieuze achtergrond – maar een bepaalde categorie veedieren: geit, schaap, kip, vaak rund, eventueel paard en soms varken. Veel andere dieren zijn taboe om op te eten. Huisdieren als kat en hond worden doorgaans niet gegeten, met konijn krijgen we in de westerse wereld steeds meer moeite, omdat het ook een knuffeldier geworden is. Dierentuindieren behoren veelal evenzeer tot de taboedieren als het om consumptie gaat. Volksverhalen over het verontreinigen van voedsel met taboedieren hebben Nederlanders wel, maar dan gaat het toch vooral om de Chinees die verdacht wordt hond of kat in de gerechten te verwerken. Enerzijds omdat de Chinese gerechten ondanks het vlees spotgoedkoop zijn, anderzijds omdat in bepaalde Aziatische landen wel hond gegeten wordt.

Waarom zouden wij in de jaren ‘70 een urban legend vertellen over dierentuindieren die in de Bronx in hotdogs gestopt worden? New York is zo ver weg, Amerikaanse hotdogs werden door ons destijds niet geïmporteerd, en ze behoorden ook niet tot onze snack-cultuur. Het feit dat Scott Neary het verhaal kende, bewijst dat het verhaal tenminste korte tijd in New York gecirculeerd moet hebben. Maar blijkbaar heeft het verhaal iets meer indruk gemaakt op de Nederlanders dan op de Amerikanen. Journalist Edo Brandt pikte het verhaal op in New York, en de context waarin hij het verhaal opdist zegt veel over de functie van de vertelling.

Als we in de column lezen hoe Amerikanen eten dan heeft dat tegelijkertijd iets herkenbaars en iets karikaturaals. De journalist gooit een aantal clichés op een hoop, eigenlijk niet zozeer over Amerikanen als wel over bepaalde New Yorkers. Om te beginnen lopen volgens onze correspondent de Amerikanen de hele dag op bonken kauwgom te kauwen. Als Amerikanen eten dan smakken ze luid. Na het eten wordt er geboerd. Amerikanen zijn sowieso een luidruchtig volk. En ze hebben ook de vieze gewoonte om in de trein hun nagels te knippen. De Amerikaan eet (te) veel en (te) vaak. Het hoofdbestanddeel bestaat uit vlees en de porties zijn enorm. De houding tijdens het eten is uitgeblust en liederlijk: het hoofd wordt ondersteund en de elleboog rust op tafel (wat volgens de toen geldende Nederlandse etiquette zeker niet mocht). De Amerikaan is ook een snacker. Tussen de maaltijden door eet hij ook veelvuldig; ook ’s nachts weet hij de weg naar de ijskast te vinden. Favoriet voedsel zijn onder andere hotdogs en hamburgers.

De karikatuur die we hier voorgeschoteld krijgen is die van de onbeschaafde en onmatige veelvraat. Wat de journalist wil zeggen is: die Amerikanen hebben geen manieren en wijken in allerlei opzichten af van de beschaafde Nederlanders. Niet voor niets begint de hele column met de uitspraak:

Als het waar is, dat men de karaktertrekken van de bewoners van een land kan aflezen aan hun eetgewoonten, dan staat de gemiddelde Amerikaan er niet al te best voor.

Eigenlijk komt het er op neer dat Amerikanen een stelletje smerige en onbeheerste vreters zijn. Het verhaal over het Broodje Aap moet min of meer als uitsmijter fungeren. Niet dat het verhaal illustreert dat Amerikanen probleemloos en vrijwillig overleden gorillavlees eten. Maar het verhaal illustreert wel dat er tegenover onbeschaafde consumenten ook nog eens een perverse voedselindustrie staat, die het niet zo nauw neemt met de gezondheid en het welzijn van de consumenten. Het gecorrumpeerde kapitalistische systeem is meer geïnteresseerd in winstmaximalisatie dan in consumentenbelangen. In de jaren ’70, zo kort na de Vietnamoorlog, kon Amerika in de links-intellectuele kringen in Nederland en Europa weinig goed doen, en dat negatieve oordeel werkte zelfs door in een conservatieve krant als de Telegraaf.

Het verhaal van het Broodje Aap moet in de jaren ’70 toch tenminste korte tijd in New York hebben gecirculeerd, maar is vervolgens een (niet buitengewoon populair) Nederlands verhaal geworden, en wel van het type ‘Rare Jongens, die Amerikanen’. We hebben er nog zo eentje, over dat oude Amerikaanse vrouwtje met haar natgeregende poedeltje. Om op te drogen stopte ze het hondje even in de magnetron, waarna het dier uit elkaar spatte. Maar, vermeldt het verhaal uitdrukkelijk, het vrouwtje klaagde de fabrikant van de magnetron aan, want in de handleiding stond niet dat je je huisdier niet in de magnetron mocht stoppen. Het vrouwtje won de rechtzaak, ontving een schadevergoeding, en sindsdien staat in elke handleiding van een magnetron dat je je huisdier er niet in mag stoppen. Zoiets belachelijks kan alleen maar in Amerika, niet in Nederland.

Literatuur

Jan Harold Brunvand: Encyclopedia of urban legends. Updated and expanded edition. Santa Barbara, ABC-CLIO, 2012.

Ethel Portnoy: Broodje Aap. De folklore van de post-industriële samenleving. Met tekeningen van Scott Neary. 10e druk. Amsterdam, De Harmonie, 1992.

1 Comment

Filed under Uncategorized