Het is weer profielwerkstukkentijd!

quotes,fairytale

Niemand hoeft mij eraan te herinneren dat het weer tijd is om profielwerkstukken te gaan schrijven. Ieder jaar stromen de vragen vanzelf mijn mailbox binnen. Het zijn meestal groepen meisjes die “iets” met sprookjes willen doen. In het ergste geval zitten hun lieve hoofdjes vol met esoterische onzin, soms weten ze alleen vragen te stellen van het type “waarom houden mensen van sprookjes?” Als de school dichtbij is, willen ze me komen interviewen. Is de school ver weg, dan sturen ze een vragenlijst. Dit jaar kreeg ik onder andere een mail van Anneke, Channell, Josien en Britt uit Hengelo (HAVO 5), en hun docent stuurde er nog een mail achteraan dat het heus heel serieuze meiden waren, en of ik toch alstublieft wilde antwoorden. Ze kwamen uiteindelijk met acht vragen, die ik niet kon afdoen met verwijzingen naar FAQ-pagina’s of artikelen. Ik zet de vragen en antwoorden hier online in de hoop dat ik er later nog eens naar terug kan verwijzen.

1. Wat is de relatie tussen sprookjes en fantasy en hoe kan het dat de jeugd daar zo gek op is?

Van sprookjes wordt verondersteld dat ze (vroeger) vooral in de mondelinge overlevering hebben gecirculeerd. Fantasy is meer een literair en dus schriftelijk genre. Ze zijn dus wel verschillend, maar beide genres hebben als duidelijk raakvlak dat er in de verhalen dingen kunnen gebeuren die in werkelijkheid niet kunnen (zoals magie en een confrontatie met bovennatuurlijke wezens). Tegenwoordig kennen mensen sprookjes toch vooral uit sprookjesboeken, en daarmee komen de genres nog dichter bij elkaar. Wel is het zo dat sprookjes altijd in een onbestemd verleden spelen, terwijl veel fantasy zich in de toekomst kan afspelen, en een vorm van science fiction kan zijn.

Het tweede deel van jullie vraag klopt niet helemaal. Het zou moeten zijn: hoe kan het dat de jeugd daar NU zo gek op is. In de middeleeuwen was de jeugd bijvoorbeeld gek op ridderverhalen. Eind 19e en begin 20e eeuw waren jongeren gek op verhalen over cowboys en indianen. Tot in de jaren vijftig maakte Hollywood talloze westerns. Zo zijn er ook periodes geweest waarin de jeugd dol was op realistische verhalen, of juist op science fiction. Zulk soort voorkeuren lijken vooral een kwestie van mode. De liefde voor fantasy is eigenlijk pas ingezet met de Harry Potter-boeken. Geen enkele uitgever had dat zien aankomen, maar het bleek toch zo te zijn. Exit Pippi Langkous, hallo Harry Potter. Sindsdien is Hollywood naarstig op zoek naar aanverwante scenario’s. Naast Lord of the Rings en de Hobbit plundert men nu de aloude sprookjes. Zo’n mode gaat ook weer een keer over, al blijft er natuurlijk altijd een onderstroom van liefhebbers van verhalen over magie en andere onwerkelijke maar spannende zaken.

2. In de loop van de eeuwen zijn er veel verschillende versies van sprookjes ontstaan. Hoe kan het dat bepaalde versies zo bekend zijn en andere haast vergeten?

Vroeger waren sprookjes niet speciaal bedoeld voor (kleine) kinderen, maar meer voor pubers en volwassenen. Die versies waren vaak kind-onvriendelijker, wreed, gewelddadig, en sterk seksueel getint. In oudere versies kan het gebeuren dat Doornroosje door de prins in haar slaap wordt bezwangerd (wij zouden nu zeggen: verkracht), en ze wordt pas wakker als ze twee kinderen heeft gebaard. In andere versies kruipt Roodkapje geheel naakt in bed bij meneer de boze wolf, maar weet ze ook net op tijd weg te lopen. De stiefmoeder van Sneeuwwitje moet aan het eind van het verhaal gloeiend hete ijzeren schoenen aantrekken en zich op het bal dooddansen. Sinds het sprookje vanaf het eind van de 19e eeuw steeds meer ervaren wordt als een kinder-genre, zijn de seksuele en wrede elementen uit het verhaal gehaald. De volwassenen waren bang de tere kinderziel te schaden. Heel veel andere volwassen sprookjes zijn hierom in de loop der tijd verloren gegaan – al zijn ze wel tijdig opgetekend en gecatalogiseerd. De canon van nu nog gekende sprookjes is ingedikt van enkele honderden naar enkele tientallen, en het boek van de Grimms heeft daarbij ‘gewonnen’; de mooiste sprookjes hieruit staan nu nog altijd in de top tien.

3. Vanaf wanneer is men begonnen met het vertellen en/of schrijven van sprookjes?

Eigenlijk is op deze vraag geen goed antwoord te geven, omdat we dat allemaal niet precies weten. Bovendien zijn sommige sprookjes heel oud, maar andere pas in de 19e eeuw bedacht, en dus betrekkelijk jong. Het hangt er om te beginnen dus maar helemaal van af naar welk sprookje je kijkt. Dan nu toch een poging tot een antwoord:

Laten we er even van uitgaan dat sprookjes een heel oud genre vormen (dat is niet zeker: er zijn voldoende volkeren die geen sprookjes hebben gekend). De oudste sprookjes zijn dan in principe mondeling verteld. Dat aller-oudste sprookje zul je niet kunnen dateren, omdat het nooit is opgeschreven (bij gebrek aan schriftcultuur). Het oudste sprookje zal dan wel in de late steentijd zijn verteld, nadat ons brein een evolutiesprong maakte zo’n 200.000 jaar geleden, en menselijke taal, creativiteit en fantasie ontstonden. Rond het kampvuur kunnen de primitieve mensen dus sprookjes aan elkaar hebben verteld. De oudste sprookjes zijn opgetekend zodra culturen het schrift ontdekten. De oude Grieken en Romeinen hebben verhalen opgetekend die we nu nog als sprookjes herkennen. Heel oude sprookjes zijn de verhalen waarin Odysseus tegen de reus (cycloop) vecht, of het drakendoders-verhaal.
Mensen hebben er lang over gedaan voordat ze ook een schrift ontwikkelden. Hun oude verhalen lijken eigenlijk nog niet op de sprookjes zoals wij ze kennen: het zijn vooral spannende avonturenverhalen. Pas veel latere schrijvers als Perrault en de Grimms hebben een specifieke sprookjesstijl ontwikkeld die je in oudere cultuurfasen eigenlijk zelden tegen komt.

Sprookjes zouden dus heel oud kunnen zijn, maar de meeste zijn het waarschijnlijk niet. Sommige sprookjes stammen uit de middeleeuwen, maar sprookjes worden pas in het Italië van de 16e en 17e eeuw een echte hit, met schrijvers als Straparola en Basile. In de 17e eeuw nemen de Fransen het over met Perrault en Madame d’Aulnoy. In de 18e en 19e eeuw zijn de Duitsers er vatbaar voor (Musäus, de Grimms, Bechstein) en Denemarken brengt in de 19e eeuw een echte sprookjesschrijver voort: Hans Christian Andersen. Veel sprookjes lijken dus na de middeleeuwen te zijn ontstaan en op schrift. Vroeger noemde men dat kunstsprookjes i.t.t. volkssprookjes. Een beroemd sprookje als Hans en Grietje kennen we pas sinds de 19e eeuw; daarvóór is het nergens gevonden.

4. Voor wie zijn sprookjes oorspronkelijk eigenlijk geschreven? Waren ze altijd al voor kinderen bedoeld of voor een andere doelgroep?

Gezien de volwassen trekken van de oudere sprookjes wordt verondersteld dat de oudere sprookjes eerder voor pubers en volwassenen bedoeld waren. Veel jonge helden in sprookjes moeten zich zien los te maken van hun ouders, en een zelfstandig bestaan leren opbouwen met een jonge partner. Nogal wat sprookjeshelden zijn pubers in de leeftijd dat ze op zoek gaan naar een huwelijkspartner. Pas gaandeweg de 19e en 20e eeuw zijn sprookjes een echt kindergenre geworden. Er was aanvankelijk maar een kleine groep sprookjes meteen bestemd voor kinderen: de sprookjes waarin kinderen zelf de hoofdrol spelen, zoals Roodkapje, Hans en Grietje, en de Wolf en de Zeven Geitjes. Dat waren duidelijke waarschuwingssprookjes voor de kleintjes.

5. Zijn er verschillen tussen de sprookjes van vroeger en van nu en wat zijn die dan?

Uit het voorafgaande is al gebleken dat dat zo was. Oudere sprookjes zijn wreder, gewelddadiger en seksueel getinter. Er is vaak minder compassie en medelijden in de oudere sprookjes. Liefde voor de natuur komt in oudere sprookjes zelden voor, liefde voor dieren ook niet zo vaak. Niemand zit ermee als een kat in een verhaal een schop krijgt als men denkt dat het een heks is. Als een held met twee koeien in een zinkende boot zit, springt hij in oudere versies uit de boot en laat de koeien verdrinken. In modernere versies roeit de held eerst nog naar de kant en jaagt ze het bos in. Vlak voordat het hele kasteel van Doornroosje in slaap valt, dreigt de kok het koksmaatje een draai om de oren te geven. Die klap wordt in moderne versies verzwegen want als kindermishandeling ervaren. In oudere versies kan een gevangen meisje door rovers worden misbruikt als seks-slavin, en worden haar baby’s vermoord, in moderne versies wordt ze gedwongen om het huishouden te doen en kippen te plukken (da’s in de huidige optiek al erg genoeg). Kortom, vertellers passen sprookjes steeds aan aan de nieuwe heersende normen en waarden, en aan het publiek.

6. Is er misschien een cultuurhistorische verklaring voor het succes van dit soort literatuur?

Deze vraag is wel heel algemeen. Met dit soort literatuur bedoelen jullie kennelijk sprookjes, maar bedoelen jullie door de eeuwen heen? Het is namelijk niet zo dat sprookjes door de eeuwen heen altijd maar een dominant en geliefd genre zijn geweest. Belangstelling voor sprookjes en fantasy zie je in golfbewegingen komen en gaan, en per land verschillen. Sprookjes zijn duidelijk bedoeld als fictie en kunnen in verschillende tijden en streken een ideaalbeeld en een tijdelijke escape uit de werkelijkheid vormen: denk aan het ideaal van het eenvoudige landleven waarbij men kan wegdromen. In sprookjes zit vaak één of andere wensdroom verscholen: een verlangen naar een beter leven, een ideale partner, erkenning, verlossing van armoede en honger… In sprookjes wordt het kwaad steeds door het goede overwonnen, en dat is natuurlijk een krachtige boodschap waarin we graag willen geloven. Wellicht dat in tijden van crisis en tegenslag er sneller op het sprookje wordt teruggegrepen – tijden van hongersnood, pestilentie en oorlog(sdreiging) om het leven wat meer kleur en hoop te geven. Je kunt je afvragen welke crisis er nu heerst dat sprookjes weer zo populair zijn. De Harry Potter-boeken lijken populair te zijn geworden in een periode van ideologische desoriëntatie en onzekerheid over de eigen westerse identiteit. Mogelijk valt het te verklaren vanuit de verscherping van de tegenstellingen tussen het westen en de islam. Gaat het om redelijk willekeurige modegolven of cultuurhistorisch te duiden ontwikkelingen? Ik durf hierover geen al te stellige uitspraken te doen.

7. Waarom zijn deze verhalen zo dominant aanwezig in de massacultuur?

De vraag impliceert dat dit zo is: sprookjes zijn dominant aanwezig in de massacultuur. Ik denk dat dat vele eeuwen lang niet echt steeds gegolden heeft. Bedenk bovendien dat volkeren als de Maori, de Aborigines en vele Indianenstammen nooit sprookjes hebben gekend. Sprookjes zijn een Euraziatisch fenomeen (met medeneming van het Midden-Oosten en Noord-Afrika). Hoe zouden de Maori verhalen over ridders en prinsessen hebben moeten ontwikkelen als ze zelf nooit een feodaal tijdperk hebben meegemaakt? Pas met de komst van de kolonisten zijn dergelijke volkeren in aanraking gekomen met sprookjes. Met andere woorden: sprookjes zijn geen universeel fenomeen. En ze zijn dus niet altijd en overal dominant geweest. Het is eigenlijk pas sinds het enorme succes van de Kinder- und Hausmärchen (19e eeuw) van de gebroeders Grimm dat sprookjes echt in ons aller collectieve geheugen terecht zijn gekomen. We worden sindsdien van kinds af aan geconfronteerd met een hoeveelheid uitverkoren sprookjes. Ruim een eeuw lang herkennen we de parodieën op sprookjes en de sprookjestaferelen in pretparken omdat een zekere hoeveelheid sprookjes tot onze canon en onze opvoeding is gaan behoren. Dat komt vooral ook omdat volwassenen (en leraren) zijn gaan vinden dat sprookjes deel van ons cultureel erfgoed zijn geworden, en dat een opvoeding zonder sprookjes eigenlijk ondenkbaar is.

8. Hoe hebben religieuze stromingen in West-Europa zich verhouden tot het fenomeen sprookjes?

Ik beperk me even tot de christelijke stromingen. Gematigde stromingen van het katholicisme en het protestantisme hebben eigenlijk nooit moeite gehad met sprookjes, zolang ze als een vorm van aangename fictie werden beschouwd. Hoogstens had men wel eens bezwaar tegen de onwaarachtigheid (leugenachtigheid) van sprookjes. Vergelijking van Noord- met Zuid-Nederland heeft uitgewezen dat katholieken gemiddeld het meest van wondersprookjes of toversprookjes houden, dus sprookjes met magie of iets wonderbaarlijks erin. Wondergeloof is het katholicisme immers niet vreemd. Katholieke vertellers laten ook met gemak Jezus of Petrus in hun sprookjes een rol spelen zonder dat iemand daar aanstoot aan neemt. Het Vaticaan verwacht van zijn gelovigen wel dat ze sprookjes opvatten als fantasie. Toen kinderen de Harry Potter boeken wat al te serieus begonnen te nemen, werd er vanuit het Vaticaan wel negatief op de toverij en hekserij in de Potter-boeken gereageerd, maar dit bericht werd enige tijd later weer herroepen. Protestanten lijken gemiddeld wat minder gecharmeerd te zijn van wondersprookjes: zij lijken wat meer de voorkeur te geven aan avontuurlijke en grappige sprookjes (zonder magie).

Er is eigenlijk maar één groep die vrij systematisch tegen sprookjes is: de orthodox gereformeerden. Zij nemen de toverij, toekomstvoorspelling en hekserij in sprookjes ernstig op, en halen bijbelcitaten aan die zich keren tegen deze vormen van occultisme, ketterij en satanisme, waarvan zij in het dagelijkse leven maar al teveel reële voorbeelden menen te zien.

Aanbevolen literatuur:

Dekker, Van der Kooi & Meder: Van Aladdin tot Zwaan Kleef Aan.

Meder (ed.): Van Kikvors tot Droomprins. Over de Wording van het sprookje. Online: http://www.docvolksverhaal.nl/images/stories/file/KikvorsDroomprins.pdf

Marina Warner: Once upon a time: a short history of fairy tale.

Advertisements

1 Comment

Filed under Uncategorized

Waarom heet Assepoester geen Assepoetser?

Assepoester met blaasbalg (centsprent)

Assepoester met blaasbalg (centsprent)

Assepoester is als sprookjespersonage beroemd geworden dankzij Charles Perrault en zijn Contes de ma mère l’oye (Sprookjes van Moeder de Gans) dat voor het eerst verscheen in 1697 – eind 17e eeuw dus.

Hij heeft het sprookje van Assepoester in de mondelinge overlevering gehoord: er bestaan al Chinese varianten op het verhaal daterend uit de 7e eeuw. Er bestaat ook een klassieke Griekse versie van het sprookje, en begin 17de eeuw (1634) schreef de Italiaan Gambattista Basile al La Cenerentola.

De door Perrault geschreven versie is echter het bekendst geworden. De heldin heet hier Cendrillon. Het Franse ‘cender’ betekent as, en het verkleinwoordje maakt de naam tot “klein as-meisje”. De Italiaanse naam Cenerentola is aan de Franse taal ontleend; ‘cenere’ betekent as en -tola is het verkeinwoordje. In de Engelse vertaling is het precies zo gebleven. ‘Cinder’ is een oud woord voor as, en met de verkleinvorm -ella betekent haar naam dus weer “klein as-meisje”.

In het Duits wordt haar naam Aschenbrödel of Aschenputtel. De namen betekenen allebei zoiets als as-bron of as-wolk, maar Aschenbrödel is al sinds de middeleeuwen een bestaand woord en synoniem aan keukenmeid.

In het Nederlands en het Fries is het Assepoester geworden, en Jiskepûster. Een Jiskefet in het Fries is een as-emmer of asbak, dus ook hier is de associatie met as duidelijk. Het woord Assepoester bestond al vóór de vertaling en er werd figuurlijk een keukensloofje mee bedoeld. De vertaler zal wel met opzet voor dit begrip hebben gekozen.

Die as is het as van het vuur. Wij kunnen tegenwoordig de verwarming of het fornuis met één knop aan- of uitzetten, maar vroeger – vóór het zwavelstokje – was men afhankelijk van een continu haardvuur in de woonkamer en/of de keuken. Dat vuur moest voortdurend aangehouden worden en mocht niet uitgaan, anders moest men bij de smid nieuw vuur gaan kopen (die verkocht je dan een gloeiend kooltje in een vuurkorfje).

Het vuur dag en nacht aanhouden was een nederig en smerig werkje. Bovendien moest je het hele etmaal opletten dat het vuur niet uitging, en moest er regelmatig as uit de haard geschept worden om het vuur niet te versmoren. Tegelijk moest de keuken schoon blijven, want daar werd het eten klaargemaakt.

Dan de vraag: waarom heet “Assepoester” geen “Assepoetster”?

Er zijn versies van het sprookje waarin ze wel een poetster (de vrouwelijke vorm) genoemd wordt, maar dat zou op een vergissing of een verspreking kunnen berusten van een verteller die Assepoetster meer logisch zou vinden als naam. Ze is in elk geval dus een nederige keukenmeid, die voor het vuur moest zorgen, en de keuken schoon moest houden van as. ‘s Nachts moest ze in de keuken bij het vuur blijven slapen, in de as als het ware. Een lelijker woord dat in het Nederlands gebruikt werd is “Asgat”.

Het meest voor de hand liggende antwoord lijkt dus: zij moest de as wegpoetsen en heette daarom Assepoetster. Het woord poetster laat zich echter niet makkelijk uitspreken en het is veel makkelijker als er een t onuitgesproken blijft. Niet dat zulk soort verschijnselen nu vaak optreden in het Nederlands.

Het is evengoed mogelijk dat er in het Nederlands en het Fries wordt teruggegrepen op een ouder en regionaal werkwoord “poesten” dat “blazen” of “aanblazen” zou betekenen. Af en toe moet men immers het vuur aanwakkeren door het aan te blazen (van zuurstof te voorzien). Dat kan met de mond, maar gebeurde in de 17e en 18e eeuw met de blaasbalg. “Asseblaaster” of iets dergelijks wordt de heldin in een sprookje nooit genoemd. Kennelijk werd toch voor het ouderwetse woord “poesten” gekozen, omdat Assepoester ook al de bijbetekenis keukensloof had – dit is ook het standpunt dat het Woordenboek der Nederlandse Taal inneemt.

Ga er maar van uit dat Assepoester zo heet omdat ze de vernederende keukentaak heeft gekregen om het vuur aan te houden, de as eruit te scheppen en de keuken schoon te houden.

Tot slot: dat Assepoester een priesteres zou zijn die voor het heilige haardvuur zorgt, is volkomen uit de lucht gegrepen en in tegenspraak met haar rol als verschoppeling. Het zorgen voor het vuur is juist haar vernederende straf, niet haar verdienste. Associaties met priesteressen (die in de 17e eeuw helemaal niet bestonden) suggereren een diepe ouderdom in een gedroomd heidens germanendom dat nooit in die vorm bestaan heeft.

In het Vlaams krijgt Assepoester soms ook alternatieve namen als Aschekladdeken en Vuilvelleken, denigrerende scheldnamen die allemaal de onreinheid van het miskende sloofje moeten benadrukken.

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Hoe drukwerk de mondelinge traditie levend houdt

Krant_1649-2-27_BoerEnRuiterMomenteel wordt voor Delpher, onder leiding van prof. dr. Nicoline van der Sijs, een grote hoeveelheid 17e-eeuwse kranten afgeschreven door 150 vrijwilligers. Scannen en OCR-en heeft in dit geval weinig zin: het drukwerk is slecht van kwaliteit en bovendien in Gotische letter gezet, en dat is voor Optical Character Recognition nog een onoverkomelijk struikelblok.

Onlangs zat Gijs Doorenbos uit Amersfoort, één van de vrijwilligers, een kort berichtje af te schrijven uit de krant Tydinghe uyt Verscheyden Quartieren uit 1649, en het verhaaltje deed hem sterk denken aan het verhalende lied over Boerke Naas (1868) van Guido Gezelle van ruim twee eeuwen later. In de 17e-eeuwse krant stond te lezen:

Als dese daghen een Ruyter seker Boer, dewelcke zijn Overigheyt zijne jaerlickse Schattinghe brenghen wilde, op ‘t Veldt aengerant ende hem dat Geldt afgenomen heeft, heeft de Boer den Ruyter gebeden, dat hy hem een gat door zijn Hoet ende een door zijn Rock schieten wilde, ten eynde hy ‘t selve zijne Overigheydt toonen konde, als nu de Boer sach dat de Ruyter beyde zijne Pistolen hadde ghelost, heeft hy hem van ‘t Peert ghetrocken ende vermoordt, zijn geldt wederom ghenomen, ende zijne Overigheydt het Geldt ghebrocht, ende dese saecke vertelt.

[Vrije vertaling: Een boer was onlangs met de jaarlijkse belastingopbrengst op weg naar de autoriteiten, toen hij in het vrije veld door een ruiter van zijn geld werd beroofd. De boer verzocht de rover om een gat in zijn hoed en zijn mantel te schieten, zodat hij de mensen van de overheid kon bewijzen dat hij beroofd was. De ruiter trok zijn beide pistolen en schoot ze leeg. Daarop trok de boer de rover van zijn paard, sloeg hem dood, pakte zijn geld weer dat hij is gaan afdragen aan de overheid, waar hij de geschiedenis uit de doeken deed.]

De gelijkenis met Boerke Naas valt niet te ontkennen. Als het boertje twee runderen heeft verkocht op de veemarkt, keert hij naar huis terug met een zak met geld en een nieuw aangeschaft zevenschots pistool. Onderweg wordt hij overrompeld en beroofd. Hoe moet ik dat thuis aan mijn vrouw uitleggen, vraagt Boerke Naas, en hij verleidt de rover om een kogel door zijn hoed, zijn jas en zijn broek te schieten. Daarna heeft de rover geen kogels meer, maar “Ik wel” zegt Boerke Naas en haalt zijn zevenschots tevoorschijn. Hij jaagt de rover op de vlucht en komt behouden thuis met zijn geld.

Doorenbosch vroeg zich af of we hier wellicht te maken hebben met een volksverhaal, en dat klopt inderdaad. Het anekdotische verhaal staat in de internationale volksverhalencatalogus geregistreerd als AT 1527A (Robber Induced to Waste his Ammunition) en tegenwoordig als ATU 1527A (The Robber Disarmed). Het verhaal is vooral in Europa terug te vinden en de oudst bekende versie komt uit het 14e-eeuwse boek Scala coeli (No. 542) van Johannes Gobi Junior.

De Nederlandse Volksverhalenbank bevat meerdere versies van het ATU 1527A-type. Er bestaan globaal twee variante plots:

1. Deze versie is het oudst en stamt uit de tijd dat het vuurwapen nog niet was uitgevonden. De held wordt beroofd en vraagt of de rover zijn hand wil afslaan met zijn zwaard, als bewijs dat hij overvallen is. De held houdt zijn hand tegen een boom, maar trekt hem net op tijd weer weg, waardoor het zwaard in de boom komt vast te zitten. De held weet het zwaard als eerste uit het hout te trekken en vermoordt de rover. Deze versie is in Nederland nog tot in de 20e eeuw terug gevonden in de mondelinge overlevering

2. Hier verleidt de held de rover om zijn pistool leeg te schieten op zijn kleding. Verreweg de meeste versies uit de Volksverhalenbank volgen deze plot.

Held en rover blijven regelmatig anoniem, maar in een Noord-Hollandse versie zijn het de criminelen Platte ( = Lepe) Thijs en Schinderhannes die elkaar ontmoeten. In een Achterhoekse versie is de rover Schinderhannes en de held de Achtkante ( = dubbel vierkante) Boer.

Volgens een enigszins achterhaalde romantische theorie zal dit verhaal dus zo’n zes eeuwen in een autonome mondelinge overlevering hebben gecirculeerd. Onderzoekers hebben echter steeds meer de neiging om drukwerk te beschouwen als tussentijdse aanjagers van de mondelinge traditie. Het bovenstaande krantenbericht zal ook in andere kranten verschenen zijn – één andere vrijwilliger van Delpher was het verhaal ook al tegengekomen.

Aernout_van_Overbeke_door_H_CauseIn de derde kwart van de 17e eeuw hield de Haagse advocaat Aernout van Overbeke een persoonlijk moppenboek bij; hij gebruikte de moppen om er zijn eigen conversatie mee te kunnen larderen, en het handschrift is dan ook nooit gepubliceerd destijds. Het ATU 1527A-type vinden we bij Van Overbeke terug als mop nummer 2330 in zijn Anecdota sive historiae jocosae (Anekdoten of Grappige Geschiedenissen). Woorden, zinnen en plot lijken zo verdacht veel op het krantenbericht, dat het haast niet anders kan dan dat Van Overbeke het verhaaltje uit de krant heeft overgenomen of geparafraseerd:

Een boer willende sijn schattinge aen sijn overicheyt brengen, wierdt hem sulcx onderweechs van een ruyter afgenomen. De boer seyde tegen den ruyter: ‘Als ick sulcx al tegen de overicheyt seyde, dat het mij onderweegs afgenomen is, soo sullen se mij niet geloven, daerom soo schiet een gat in mijn hoedt ende één door mijn rock, opdat ick hun sulcx toonende, moge gelooft worden.’ De ruyter schoot hem dieswegen met het eene pistool door den hoedt ende met het ander door den rock. Doen hij nu allebeyde sijn pistoolen gelost hadde, greep hem de boer aen en smeet hem van ‘t peert, sloeg hem doot, nam sijn gelt weder ende reedt met het peert door.

Blijkbaar vatte Van Overbeke deze vertelling op als mop, en niet zozeer als waargebeurde geschiedenis. Als hij de mop in gezelschap weer heeft naverteld, dan zou dit een mooi voorbeeld kunnen zijn van een gedrukte vertelling die heeft gezorgd voor de re-oralisatie van een al langer bestaand volksverhaal.

1 Comment

Filed under Uncategorized

Anansi de overlever

inlaydvd2

In het programma Anansi Masters worden door de Stichting Vista Far Reaching Visuals de Anansi-verhalen nagereisd en opgenomen, zoals die nu verspreid over de wereld te horen zijn. Veel van de opnames zijn te vinden op www.anansimasters.net en de eerste reeks opnames werd op dubbel-DVD uitgegeven als Waarom alle verhalen Anansi’s naam dragen (2008). In Ghana werden toen de verhalen in het Twi opgenomen, en in Amsterdam en Rotterdam voornamelijk in het Nederlands. In de Nederlandse opnames komen we geroutineerde (professionele) vertellers tegen als Wijnand Stomp, Hilli Arduin en Olga Orman. Inmiddels is er een tweede dubbel-DVD geproduceerd met opnames gemaakt op Curaçao en op Aruba: Anansi Masters: The Story Continues (2012).

Wie een beetje romantisch is ingesteld, kan zich voorstellen dat er nu een historische lijn in beeld wordt gebracht: van de oude traditionele Afrikaanse Anansi-verhalen, naar de koloniale Caraïbische verhalen en tenslotte naar de contemporaine Nederlandse vertellingen. Maar let wel! Strikt genomen hebben we in alle gevallen met contemporaine verhalen te maken: we krijgen de verhalen te horen zoals ze NU in Ghana, op Curaçao, Aruba, in Amsterdam en Rotterdam verteld worden. Alle vertellers zijn levende vertellers van NU, en dat geldt evengoed voor de Ghanese boer Kojo Anim, als voor performer Wijnand Stomp. En natuurlijk kunnen we in alle verhalen wel wat van hun roots zien, maar je weet bij mondelinge overlevering van verhalen nooit goed wat nu echt oud is, en wat er nieuw bijverzonnen is. Daar kan je alleen maar achter komen als alle Anansi-verhalen steeds systematisch waren opgetekend – quod non. Pas tegen het eind van de twintigste eeuw vlamt de belangstelling ineens in alle hevigheid weer op: de Anansi-verhalen moeten vastgelegd worden, opgetekend en weer naverteld, onderwezen en gekoesterd, omdat ze onlosmakelijk deel uitmaken van een cultuur van Afrikanen, diaspora, slavernij en kolonialisme, bevrijding en emancipatie, zelfbewustzijn en emigratie.

De Ghanese Anansi van vandaag moet je eigenlijk met een vergrootglas zoeken. Álle dierverhalen, álle fabels heten in Ghana tegenwoordig Anansiverhalen (daar bestaat zelfs een Anansiverhaal over). In de eerste DVD-opnames uit Ghana horen we veel fabels, maar komt Anansi zelf zelden opdraven. Toch mogen we uit oudere literatuur wel aannemen dat de Afrikaanse Anansi de Spin een half-goddelijke status had, en een bemiddelende rol tussen god en de mensen vervulde. Anansi is daarbij lang niet altijd een sympathiek of betrouwbaar wezen.

Zijn mythische status verliest Anansi in de Caraïben: hier wordt hij een aardse spin met een gezin, terwijl zijn rol van trickster verder wordt uitvergroot. Van de West-Indische verhalen wordt vaak beweerd dat ze onlosmakelijk verbonden zijn met de slavernij. De geschiedenis van de Afrikanen in de West-Indies is zeker onlosmakelijk verbonden met de slavernij. In bepaalde verhalen – een minderheid overigens – zie je dat nog terug: daarin moet Kompa Nanzi het als kleine spin opnemen tegen grote machthebbers als de koning, Shon Arei, en zijn handlanger Cha Tiger. In de meerderheid van de verhalen neemt Nanzi het niet op tegen zijn meerderen, maar tegen gelijken of minderen. In die verhalen is er altijd maar schaarste, heeft Nanzi altijd maar honger, en heeft hij vaak vele gezinsmonden te voeden. Al deze verhalen wijzen qua ouderdom op de periode vlak nà de afschaffing van de slavernij, een periode die werd gekenmerkt door misoogsten en hongersnood. Je zou kunnen zeggen dat de Nanzi-verhalen die nu op Curaçao en Aruba verteld worden uiteindelijk een eeuw tot anderhalve eeuw oud kunnen zijn. In nagenoeg alle verhalen betoont Anansi zich een survivor overigens: Anansi forever!

Verder is de mondelinge overlevering niet alleen maar afhankelijk van verhalen die doorverteld werden. Meer en meer begint het tot onderzoekers door te dringen, hoe belangrijk schriftelijke optekeningen, tijdschriften en boeken zijn geweest. De Arubaanse vertelster Desiree Correa maakt dat eens te meer duidelijk, want zij zwaait dankbaar met de heruitgave van het tweetalige boek van Nilda Pinto getiteld Hoe Nanzi de Koning Beetnam uit 2006. Ruim de helft van de verhalen die op de DVD verteld worden, staan ook in het boek van Pinto. Ik heb ooit in het algemeen het aantal verhalen proberen te tellen waarin Anansi voorkomt: op zeker moment bleef ik steken op een repertoire van circa 130 verhalen, want daarna kwam ik alleen maar versies van de bekende verhalen tegen. Op de dubbel-DVD Anansi Masters: The Story Continues staan echter weer zes nieuwe Anansi-verhalen, waaronder het verhaal ‘Hoe Anansi zijn Afro-kapsel verloor’. Het lijkt er verder op alsof met name de verhalen over Kompa Nanzi tegen de koning of tegen de tijger erg populair zijn gebleven: is dat een bewust opgehaalde herinnering aan een onrechtvaardig verleden, of scheppen de vertellers gewoon plezier in een optimaal ondeugende Nanzi?

Ronden we het geschiedverhaal af: in de twintigste eeuw komt er een migratiestroom op gang naar het land van de voormalige kolonisators. Alhoewel het vertellen van Anansi-verhalen aanvankelijk lijkt in te zakken, treedt er met het toenemende zelfbewustzijn een ommekeer op: de Anansi-vertelcultuur krijgt een boost, en het missiewerk lijkt bovenal vanuit Nederland op gang te komen. Inmiddels kunnen we stellen dat Anansi als cultuurfenomeen weer voldoende op de kaart is gezet om de komende decennia te overleven. Maar hoe overleeft hij in Nederland? De woorden ‘verharmlosung’, ‘verburgerlijking’, en ‘vertrutting’ vallen. Laten we wel wezen: wat Nanzi in het verleden bij tijd en wijle uithaalde, was destijds in een verhaal wel lollig, maar is volgens moderne maatstaven gemeen, immoreel of zelfs crimineel. In de oude Caraïbische verhalen gaat Nanzi soms letterlijk over lijken om aan een beetje voedsel te komen. Dat is echt niet meer van deze tijd. En dus worden de verhalen in Nederland soms anders herverteld of herschreven. Hoe Anansi het tumbafestival won van Olga Orman en Johan Volkerijk is bijvoorbeeld een alleraardigst kinderboekje en kindervertelling geworden, maar in feite veel te lief en te braaf. Anansi is niet meer de ouderwetse etterbak-van-een-egoïst (net zoals de Nederlandse Reinaert de Vos ooit was, maar die nu ook grotendeels zijn streken lijkt te hebben verloren). Veel te vaak is de angel uit het verhaal in Nederland – dat vind ik persoonlijk jammer, maar het is ook alleszins een teken des tijds.

De DVD Anansi Masters: The Story Continues bevat 32 Nanzi-verhalen: 18 uit Curaçao en 14 van Aruba. De vrouwelijke vertellers zijn licht in de meerderheid: er zijn 14 mannen aan het woord en 18 vrouwen. Verschillende vertellers worden aan het eind kort geïnterviewd en het is opvallend hoe vaak de vrouwen antwoorden dat ze kleuterjuf, schooljuf of theaterdocent zijn. Het lijkt me niet teveel gezegd dat de revitalisering van Nanzi voor een flink deel te danken is aan vrouwen in het onderwijs. De geïnterviewden antwoorden op de vraag ‘Wanneer hoorde je voor het eerst Nanzi-verhalen?’ vaker “op school” dan “thuis”. Op de DVD wordt één verhaal in het Engels verteld, maar de rest is in een zoetgevooisd papiamento/papiamentu – ze krijgen steeds een ondertiteling in het Engels.

De opnames in Ghana en Curaçao zijn wat minder van geluidskwaliteit vanwege de buitenopnamen: er is respons uit het publiek of veel omgevingslawaai en zelfs een onrustig beeld: op Curaçao lopen voortdurend mensen achter langs het beeld en er rijden telkens auto’s voorbij. Vlakbij wordt feestelijke muziek gedraaid, en als er een luidruchtige toeristenbus voorbij komt, moet de vertelster gewoon even stil houden. Hoe anders zijn de opnamen in Aruba, Rotterdam en Amsterdam: hier zijn de opnames in een gesloten ruimte met goed gerichte opname-apparatuur. Deze opnames zijn beter te volgen omdat ze meer voldoen aan een ‘westers verwachtingspatroon’: naar een verteller luistert men aandachtig en is het verder stil.

Een leuk verhaal vond ik ‘Nanzi en de vloek van Cinco’ van Armine Marisol Medina Acosta. In het interview vertelde ze dat ze het verhaal deels zelf had geschreven, geïnspireerd op een Jamaicaans verhaal dat ze op internet had gevonden. Als ik me niet vergis heeft Hilli Arduin dit verhaal ook op haar repertoire, over ‘Heks Vijf’. Misschien wel het leukste verhaal – ook goed qua performance – vond ik het verhaal ‘Nanzi’s spelletje’ van Laurina Leshomme, waarin Anansi mensen uitdaagt om hem drie woorden na te zeggen. Bij het tweede woord roept Anansi “Fout!!” en de mensen worden voortdurend bozer, tot ze het uiteindelijk begrijpen. Overigens heb ik in een aflevering van Sprookjesboom de Heks van de Efteling hetzelfde verhaal horen vertellen. Goede verhalen vertellen zichzelf als het ware gewoon door…

Nu is het natuurlijk nog wachten tot Anansi Masters opnames op DVD zet van de Anansi Tories zoals ze nu in Suriname worden verteld – hopelijk weet het project ook hier weer voldoende subsidie voor te werven.

DVD: Anansi Masters: The Story Continues. Nanzi Stories from Curaçao and Aruba. Vista Far Reaching Visuals Foundation, 2012. More information: www.anansimasters.net

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Het sprookje van Roodkousje

In de Nederlandse vertaling uit 1819 van Den ridder Don Quichot van Mancha (deel 1) van Cervantes zegt een pastoor op pagina 399:

Hij heeft mij eens zijne leevenshistorie verteld; en dezelve is zo wonderlijk, dat zo een ander mij die verhaald hadt van minder geloofwaardigheid, ik zou zijn vertelling voor een sprookje van het roodkousje gehouden hebben.

In onze vaderlandse letterkunde wordt er af en toe gezinspeeld op het bestaan van een sprookje van Roodkousje, maar nooit wordt er ook maar een hint gegeven waar dit sprookje over gaat, kennelijk omdat het overbekend is. De eerste inval die iemand zou kunnen hebben is: dat zal dan wel het sprookje van Roodkapje geweest zijn. Maar er is geen enkele versie van dit sprookje bekend waarin het meisje geen rood kapje draagt maar rode kousjes. Het Woordenboek der Nederlandse Taal houdt het derhalve hier op:

Als eigennaam, nagenoeg uitsluitend voorkomend in de verbinding het sprookje van (het) Roodkousje, een eertijds zeer bekend en ook thans nog niet geheel vergeten plaagvertelsel; zie verder Boekenoogen in Volkskunde 20, 131 volg. en 205.

G.J. Boekenoogen was eind negentiende eeuw enkele relicten van Roodkousje op het spoor gekomen. Op 29 maart 1892 krijgt hij de volgende optekening per brief uit Leiden toegezonden:

Een plaagliedje
De kinderen smeeken de oudste zuster om een vertelling en zij zegt eindelijk: “Nu zal ik je dan vertellen, een mooi avontuurtje, een schoon avontuurtje van rood rood kousje? Wil je het weten, dan zal ik het je zeggen.” De kinderen: “Ja, asjeblief.” De vertelster: “Neen, het is niet ja asjeblief, maar het is een mooi avontuurtje, een schoon avontuurtje, een avontuurtje van rood rood kousje, wil je het weten, dan zal ik het je zeggen.” De kinderen allen: “Ik wil het weten!” De oudste zuster: “Neen, het is niet ik wil het weten, maar een mooi avontuurtje” en al zoo door tot eindelijk de geplaagde kleinen met gesloten vuistjes op de verhaalster aanstormen in dolle woede, en de zuster eindelijk tot diepe teleurstelling der kleinen bekennen moet, dat zij er ook niets van weet. Die roode roode kousjes waren toen ter tijd zoo heerlijk om te hooren zeggen, toen wij niets dan witte kousjes zagen of aanhadden.

Dat het om een plaagvertelsel zou gaan, lijkt bevestigd te worden door Adriaan Beets (de zoon van de schrijver Nicolaas, en net als Boekenoogen redacteur bij het WNT):

Een kort avertuurtje, een lang avertuurtje, van rooje en witte kousjes.
Ik zal je es ‘n avertuurtje vertellen, een kort avertuurtje, een lang avertuurtje, van rooje en witte kousjes. Vind je ‘t mooi? Ja.
Nou, dan vertel ik je een kort…
(van Woutje Bakker, dienstbode van mijne ouders omstreeks 1874, geb. Harderwijk)

Het sprookje komt als plaagvertelsel derhalve nooit op gang, maar blijft als het ware in de groef hangen. Dit kan verklaren waarom we nooit iets concreets over de inhoud vernemen.

Alhoewel dit inmiddels al tijdenlang de meest gangbare verklaring is, blijft er iets knagen. Waarom wordt het Roodkousje in de oudere letterkunde toch regelmatig opgevoerd als een sprookje dat iedereen van haver tot gort kent, dat verder geen toelichting behoeft, en dat min of meer synoniem staat met bakerpraat en oudewijvenleuter?

In een wat oudere publicatie, De Volksvermaken uit 1871, kwam Jan ter Gouw nog met een heel andere verklaring. Hij identificeert de sprookjes van Moeder de Gans met het sprookje van Roodkousje. Roodkousje is een “vette gans: men behoeft slechts naar haar pooten te zien, om te begrijpen hoe zij in de kindertaal dien naam kreeg.” Moeder de Gans werd in de Nederlandse volksmond dus Roodkousje genoemd, en dit verklaart wederom waarom we niets weten over de inhoud van het sprookje. Het gaat immers helemaal niet om één sprookje, maar om een hele bundel.

Die bundel werd in 1697 gepubliceerd door Charles Perrault als Histoires ou contes du temps passé, avec des moralités: Contes de ma mère l’Oye. Het laatste deel van de titel is uiteindelijk het beroemdst geworden. Nederlandse uitgaven van dit Franse sprookjesboek lijken de veronderstelling van Jan ter Gouw te ondersteunen. Uit circa 1750 kennen we de Vermaaklijke vertellingen van den ouden Tijd, of zoogenaamde sprookjes van het Roodkousje; zijnde de vertellingen van Moeder de Gans. Zo’n titel laat toch weinig te raden over, zou men denken. Een aanverwante editie in duodecimo, begin negentiende eeuw in Amsterdam uitgegeven door de Gebroeders van Arum (te koop voor 50 cent), heet: Spreukjes van roodkousje, of vertellingen van grootvader Zwaan, met gekleurde plaatjes.

Net als we besluiten dat dit een fraaie verklaring voor Roodkousje is, duikt er een nieuwe vindplaats op. In 1691 verschijnt er een Nederlandse vertaling van een blijspel van Molière onder de titel: School voor de jaloerschen. In dit stuk zegt het personage Santilane op pagina 22:

Zeg datze by my komt hier beneden; Ik zal haar geen sprookje van ‘t roodkousje, noch slechte reden verhalen.”

Deze tekst is zes jaar eerder verschenen dan het boek van Perrault: het Roodkousje is dus onmiskenbaar ouder dan Moeder de Gans. En weer suggereert de uitdrukking dat iedereen wel snapt wat het sprookje van het Roodkousje is. Het lijkt een begrip sinds jaar en dag.

Dat hebben wij weer! Hebben we eindelijk eens een sprookje dat echt typisch Nederlands kan zijn, kunnen we het nergens meer terugvinden! Alhoewel… in een Catalogus van schilderyen, verkogt den 9 Augustus 1739, in Amsterdam, wordt als vijftiende item het volgende aangeboden:

Een bekent stukje, door Jan Steen, verbeeldende het Rood kousje, twee beeldjes extra puik.

Wat er met dat laatste bedoeld wordt, is me niet helemaal duidelijk, maar de zeventiende-eeuwse schilder Jan Steen heeft dus een schilderij gemaakt van Roodkousje, en dat is blijkens de catalogus een “bekent stukje” – ofwel het schilderij van Steen, ofwel het afgebeelde tafereel. Het schilderij van Roodkousje is thans in het bezit van het Rijksmuseum en heet officieel Het toilet

Image

Als we de kunsthistorici mogen geloven dan is dit onmiskenbaar de afbeelding van een prostituée. Alle symbolen, ook de rode kousen, wijzen op onkuisheid en hoererij. Het verhaal van Roodkousje hoort dus mogelijk thuis in dezelfde categorie als het lied van Kortjakje. Bij het woord ‘sprookje’ moeten we ons in de zestiende en zeventiende eeuw ook niet al te veel lieflijks indenken. Het lijkt erop dat het verhaal van Roodkousje in deze eeuwen in de mondelinge overlevering al spreekwoordelijk was geworden, maar we hebben misschien wat te lang in de verkeerde richting gezocht. De zoektocht gaat door, maar nu naar het (leugen- of leuter-) verhaal van een vrouw van lichte zeden. 

2 Comments

Filed under Uncategorized

Hoe broodjeaapverhalen aan hun Broodje Aap kwamen

In sommige landen krijgen moderne sagen als genre een speciale naam. In Zweden heten ze Klintbergers omdat ze daar verzameld en gepubliceerd zijn door Bengt af Klintberg. In Nederland hebben de sterke verhalen ook een bijzondere naam: broodjeaapverhalen (volgens het Groene Boekje moet je dat tegenwoordig aan elkaar schrijven). Dat deze naam ontleend is aan de titel van het eerste boekje met Nederlandstalige urban legends uit 1978, namelijk Broodje Aap van Ethel Portnoy, is geen geheim. Portnoy gaf de verhaaltjes uit onder de ondertitel De folklore van de post-industriële samenleving. De titel van het boekje is ontleend aan de titel van één specifiek verhaal dat uitgever Jaco Groot van De Harmonie erg aansprekend vond (aldus docent journalistiek en nieuwe media Peter Burger). Aangezien het om een Nederlands boekje gaat, is het eigenlijk een beetje raar dat het verhaal ‘Broodje Aap’ zelf helemaal niet in Nederland speelt. Het verhaal gaat zo:

Broodje aap

Op een avond kreeg de politie in een achterbuurt van de Bronx een telefoontje: er was op straat een onthoofd, van de huid ontdaan lijk aangetroffen. Ze brachten het snel naar het politielaboratorium waar de patholoog-anatoom verklaarde dat het niet het lichaam van een mens, maar van een gorilla was. Het bleek dat twee vrachtauto’s in botsing waren gekomen, de een bij het wegrijden, de ander bij het binnenrijden van een hotdog fabriek. De achterdeuren van de laatste waren opengeklapt en het kadaver was de straat ingerold. Toen de politie een onderzoek instelde in de fabriek, vonden ze er gevilde en onthoofde kadavers van een aantal apen en beren. De fabrikant bekende ze voor een zacht prijsje te hebben gekocht van de dierentuin. (p. 116)

Image

Broodje Aap uit 1978

Het verhaal speelt in de VS. Het verhaal kan niet in Nederland spelen omdat hotdogs hier in 1978 nog geen gemeengoed waren. Nu was de schrijfster van origine Amerikaans, evenals trouwens de illustrator van het boekje Scott Neary. Ethel Portnoy werd in 1927 geboren in Philadelphia, maar groeide in de Bronx in New York op als dochter van Russisch-joodse immigranten. In 1950 vertrok ze naar Europa, ging in Parijs culturele antropologie en archeologie studeren, ontmoette de Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek en trad in 1951 met hem in het huwelijk. In 2004 is Ethel Portnoy overleden in Den Haag.

De moderne sage van het Broodje Aap is in Nederland nooit uit de mondelinge overlevering opgetekend, noch vóór noch na de publicatie van Portnoy. De paar Neder­landse ‘optekeningen’ die we van ná het boekje hebben, zijn letterlijke overschrijfsels van de tekst van Portnoy. Aangezien de schrijfster zelf in The Bronx heeft gewoond, zou men verwachten dat ze het verhaal daar ook zelf gehoord heeft. In de noten achterin het boekje schrijft Portnoy evenwel:

Ik kreeg één versie van dit verhaal van Scott Neary (die de fabriek situeerde bij Hunt’s Point in het zuiden van de Bronx), en vond later nog een andere versie in De Telegraaf, in een rubriek getiteld ‘Zo eet Amerika’, vanuit New York opgestuurd door Edo Brandt. In de versie van Brandt was het lijk in de goot niet alleen onthoofd, maar ook gevild, waardoor het, vermoedelijk, nog meer leek op het lichaam van een mens. (p. 211)

Portnoy kende het verhaal dus niet zelf, maar in twee versies van haar illustrator en van een journalist. De versie van Scott Neary valt niet te achterhalen, maar de versie van de journalist wel. In de Telegraaf van dinsdag 16 maart 1976 schreef correspondent Edo Brandt op pagina 7 in de column ‘New York’ een stukje onder de titel ‘Zo eet Amerika’. Het tot nu toe oudst-bekende broodjeaapverhaal over het Broodje Aap komt bij Brandt aan het einde van zijn bespiegelingen en luidt aldus:

De hot-dogs worden vervaardigd uit runder- en varkensvlees. In de noordelijke wijk van New York, de Bronx, hebben de inwoners enige tijd voldoening kunnen smaken om hot-dogs te eten van gorilla- en berevlees en mogelijk van nog enkele andere min of meer exotische vleessoorten. Zij waren er trouwens niet van op de hoogte te zijn uitverkoren tot debutanten in het verorberen van deze bizarre lekkernijen.

Het ware verhaal luidt als volgt. Op het politiebureau in de Bronx, luisterend naar de naam “Fort Apache” vanwege de vele belegeringen door heethoofdige buurtbewoners, komt op een avond een telefoontje binnen dat in een goot het lijk van een onthoofde en gevilde man is gevonden.

Geen opwekkende klus voor de geharde mannen van Fort Apache, die over het algemeen toch zijn gewend aan toestanden, waarbij vergeleken het Amsterdamse bureau Warmoesstraat een rusthuis is.

[…]

Kortom, een patrouillewagen trekt er op uit en de ambulancedienst wordt gewaarschuwd. En inderdaad, daar in de rillerige avondlucht ligt het duidelijk ontzielde lichaam. Wel een erg groot lichaam, vinden de politiemannen. De dokter verricht zijn routine-onderzoek snel en deskundig. “Rare zaak,” mompelt hij plotseling. “Dit was geen mens, maar een gorilla.”

Het duurde enige tijd voordat de oplossing van deze unieke zaak was gevonden. Eerst werd ongeveer op dezelfde plaats nog het onthoofde en eveneens gevilde lichaam van een beer aangetroffen, maar toen waren de speurders er ook gauw achter.

Het ging hier om dieren, die waren gestorven in de Bronx Zoo, één van de grootste dierentuinen ter wereld. Een worstfabriek in Bronx ontfermde zich vervolgens liefdevol en tegen een lage kostprijs over de kadavers, die vrolijk tot hotdogs werden vermalen. Smakelijk eten.

Let wel: de journalist vertelt het verhaal niet als een onwaar broodjeaapverhaal, maar als een stukje waargebeurd nieuws, zoals het een goed broodjeaapverhaal betaamt.

Image

De oudste versie van het Broodje Aap in de Telegraaf van 16 maart 1976

 

De urban legend van het Broodje Aap heeft het in de Nederlandse mondelinge overlevering nooit echt geweldig gedaan. Je kunt je zelfs afvragen of het überhaupt wel een Nederlands verhaaltje is. Anderzijds, een breed circulerend Amerikaans verhaaltje lijkt het ook niet te zijn, want volksverhaalonderzoekers hebben in de VS nooit een versie van het Broodje Aap opgetekend. In de omvangrijke encyclopedie van Amerikaanse urban legends van Jan Harold Brunvand komt het verhaal niet voor.

De vertelling van het Broodje Aap is in essentie een verhaal over geknoei met voedsel. Goedkope dierenlijken worden gebruikt om een gewild product als de hotdog op een goedkope manier van suspect vlees te voorzien. Het vlees is in tweeërlei opzicht suspect. Ten eerste gaat het om kadavers van dieren waarvan niet bekend is waar ze aan zijn overleden. Ouderdom? Ziekte? Het kweken en slachten van vlees voor consumptie is niet voor niets aan allerlei regels gebonden. Ten tweede eten we als mens – afhankelijk van onze culturele en religieuze achtergrond – maar een bepaalde categorie veedieren: geit, schaap, kip, vaak rund, eventueel paard en soms varken. Veel andere dieren zijn taboe om op te eten. Huisdieren als kat en hond worden doorgaans niet gegeten, met konijn krijgen we in de westerse wereld steeds meer moeite, omdat het ook een knuffeldier geworden is. Dierentuindieren behoren veelal evenzeer tot de taboedieren als het om consumptie gaat. Volksverhalen over het verontreinigen van voedsel met taboedieren hebben Nederlanders wel, maar dan gaat het toch vooral om de Chinees die verdacht wordt hond of kat in de gerechten te verwerken. Enerzijds omdat de Chinese gerechten ondanks het vlees spotgoedkoop zijn, anderzijds omdat in bepaalde Aziatische landen wel hond gegeten wordt.

Waarom zouden wij in de jaren ‘70 een urban legend vertellen over dierentuindieren die in de Bronx in hotdogs gestopt worden? New York is zo ver weg, Amerikaanse hotdogs werden door ons destijds niet geïmporteerd, en ze behoorden ook niet tot onze snack-cultuur. Het feit dat Scott Neary het verhaal kende, bewijst dat het verhaal tenminste korte tijd in New York gecirculeerd moet hebben. Maar blijkbaar heeft het verhaal iets meer indruk gemaakt op de Nederlanders dan op de Amerikanen. Journalist Edo Brandt pikte het verhaal op in New York, en de context waarin hij het verhaal opdist zegt veel over de functie van de vertelling.

Als we in de column lezen hoe Amerikanen eten dan heeft dat tegelijkertijd iets herkenbaars en iets karikaturaals. De journalist gooit een aantal clichés op een hoop, eigenlijk niet zozeer over Amerikanen als wel over bepaalde New Yorkers. Om te beginnen lopen volgens onze correspondent de Amerikanen de hele dag op bonken kauwgom te kauwen. Als Amerikanen eten dan smakken ze luid. Na het eten wordt er geboerd. Amerikanen zijn sowieso een luidruchtig volk. En ze hebben ook de vieze gewoonte om in de trein hun nagels te knippen. De Amerikaan eet (te) veel en (te) vaak. Het hoofdbestanddeel bestaat uit vlees en de porties zijn enorm. De houding tijdens het eten is uitgeblust en liederlijk: het hoofd wordt ondersteund en de elleboog rust op tafel (wat volgens de toen geldende Nederlandse etiquette zeker niet mocht). De Amerikaan is ook een snacker. Tussen de maaltijden door eet hij ook veelvuldig; ook ’s nachts weet hij de weg naar de ijskast te vinden. Favoriet voedsel zijn onder andere hotdogs en hamburgers.

De karikatuur die we hier voorgeschoteld krijgen is die van de onbeschaafde en onmatige veelvraat. Wat de journalist wil zeggen is: die Amerikanen hebben geen manieren en wijken in allerlei opzichten af van de beschaafde Nederlanders. Niet voor niets begint de hele column met de uitspraak:

Als het waar is, dat men de karaktertrekken van de bewoners van een land kan aflezen aan hun eetgewoonten, dan staat de gemiddelde Amerikaan er niet al te best voor.

Eigenlijk komt het er op neer dat Amerikanen een stelletje smerige en onbeheerste vreters zijn. Het verhaal over het Broodje Aap moet min of meer als uitsmijter fungeren. Niet dat het verhaal illustreert dat Amerikanen probleemloos en vrijwillig overleden gorillavlees eten. Maar het verhaal illustreert wel dat er tegenover onbeschaafde consumenten ook nog eens een perverse voedselindustrie staat, die het niet zo nauw neemt met de gezondheid en het welzijn van de consumenten. Het gecorrumpeerde kapitalistische systeem is meer geïnteresseerd in winstmaximalisatie dan in consumentenbelangen. In de jaren ’70, zo kort na de Vietnamoorlog, kon Amerika in de links-intellectuele kringen in Nederland en Europa weinig goed doen, en dat negatieve oordeel werkte zelfs door in een conservatieve krant als de Telegraaf.

Het verhaal van het Broodje Aap moet in de jaren ’70 toch tenminste korte tijd in New York hebben gecirculeerd, maar is vervolgens een (niet buitengewoon populair) Nederlands verhaal geworden, en wel van het type ‘Rare Jongens, die Amerikanen’. We hebben er nog zo eentje, over dat oude Amerikaanse vrouwtje met haar natgeregende poedeltje. Om op te drogen stopte ze het hondje even in de magnetron, waarna het dier uit elkaar spatte. Maar, vermeldt het verhaal uitdrukkelijk, het vrouwtje klaagde de fabrikant van de magnetron aan, want in de handleiding stond niet dat je je huisdier niet in de magnetron mocht stoppen. Het vrouwtje won de rechtzaak, ontving een schadevergoeding, en sindsdien staat in elke handleiding van een magnetron dat je je huisdier er niet in mag stoppen. Zoiets belachelijks kan alleen maar in Amerika, niet in Nederland.

Literatuur

Jan Harold Brunvand: Encyclopedia of urban legends. Updated and expanded edition. Santa Barbara, ABC-CLIO, 2012.

Ethel Portnoy: Broodje Aap. De folklore van de post-industriële samenleving. Met tekeningen van Scott Neary. 10e druk. Amsterdam, De Harmonie, 1992.

1 Comment

Filed under Uncategorized