Siddharta

1920x1080

Weken achtereen reisde hij door Voor-Indië, Perzië en Babylonië. Op een namiddag reed hij door een verlaten woestenij van grauw zand, dorre struiken en stilte; het schemerde al; toen was de wereld plotseling bezaaid met rovers en volgezet met schreeuwen. Van overal flitsten ze tevoorschijn, achter struiken vandaan en uit de grond, waar ze zich met takken hadden gecamoufleerd. Ze sprongen op de olifant, sleurden hem er vanaf, sloegen in zijn gezicht, doorzochten ruw zijn bagage. Tenslotte rukten ze hem de sjofele kleding van het lijf, maar verstarden toen als gesmolten lood in het water, honderd ogen op zijn borst gericht…

O Siddhartha, – Tathagata, – prins en koning! Over alle eeuwen gaat je glans! Rovers met baarden, afgeslagen armen en te weinig oren verliezen kracht en woorden bij je aanblik! Nooit zal van je majestueuze macht een grein verloren gaan.

[…]

Eén hunner, waarschijnlijk de leider, hervond eindelijk zijn spraak.

Dit is om te lachen,” hikte hij, “De Siddhartha! Hij heeft de Siddhartha op zijn borst! In een zakje!”

Hernieuwd mateloos gelach. Maar geen der rovers maakte aanstalten, hem de schat te ontnemen. Het was alsof ze het niet geloofden, alsof ze meenden dat hier scherts in het spel was: een halfzachte vreemdeling, niet geheel bij zinnen, een beetje gek, die met een kopie van de Siddhartha op zijn borst rondliep, bevangen door een beklagenswaardige waan.

De vreemdeling kwam nu snel tot bewustzijn. Wisten ze nog niets van de verdwijning? Onmiddellijk paste hij zich aan.

Ja, heren,” zei hij nerveus glimlachend, kenmerkend voor de maniak, – “ik… de Siddhartha… inderdaad, heren! Ik veroorloof mij dit!”

Jij veroorlooft maar!” riep de roverhoofdman en trakteerde hem op een kaakslag. “Maak dat je wegkomt, armzalige zot! Je hebt geluk, je hebt me aan het lachen gemaakt, daarvoor schenk ik je het leven! Alleen dáarvoor schenk ik het. Kruip op je schurftige olifant, treurige malloot, en rijd heen naar je sombere toekomst. Mars!”

Het zal ongeveer in 1975 zijn geweest. Ik zat in de tweede klas van het Atheneum in Vlaardingen en we hadden te horen gekregen dat we voor het eindexamen een leeslijst moesten samenstellen voor Nederlands. Er moesten wel 25 literaire boeken op die lijst staan – Ik, Jan Cremer mocht niet. En eerlijk gezegd had ik toen nog nooit een Nederlands literair boek gelezen. Wel heel veel strips, en jeugdboeken over Robinson Crusoë, Arendsoog en Robin Hood.

Om ons een beetje op weg te helpen hadden we bij Nederlands een bloemlezing met fragmenten uit Nederlandse romans en gedichten – de meeste tamelijk saai. De bizarre Blauwbilgorgel is wel één van de weinige teksten die ik me nog kan herinneren. Maar op een dag lazen we in de klas het fragment op de linker bladzijde. Ik vond de passage zo spannend en hilarisch, dat ik dacht: dát boek moet ik lezen! En zo werd De Diamant van Harry Mulisch de eerste echte roman die ik las. Ik heb het boek eerst geleend uit de bieb, maar later ook gekocht, zodat ik het altijd bij me zou hebben. Voor deze gelegenheid heb ik het boek weer uit de kast getrokken (“Waar staat dat *^%#@ boek in ‘s hemelsnaam? Drie hoog?”), en ben ik op zoek gegaan naar die bewuste passage (“Het had iets te maken met een olifant,” zei ik tegen mijn vrouw).

En nu las ik er op de bladzijden 47-49 bijna overheen. Het duurde even voordat ik besefte: dit moest de passage met de olifant zijn geweest. Ik vond het wel grappig, maar niet reuze hilarisch. Waar moest ik als puber zo hard om lachen? Waarschijnlijk de rovers met te weinig oren, en de schurftige olifant… Maar na 45 jaar romans, toneel, televisie, films en volksverhalen ben je wel wat gewend.

Desondanks blijft De Diamant een brutaal, aanstekelijk, erudiet en vermakelijk jeugdwerk van Mulisch uit 1954; hij was toen een late twintiger. Nu pas herken ik meerdere van de historische figuren die Mulisch opvoert. De roman – en dat is bijzonder – heeft geen centrale held of heldin, maar volgt een voorwerp: de grootste diamant ter wereld, die over een magische aantrekkingskracht beschikt. De lezer volgt de Siddhartha door de loop van een geschiedenis van 25 eeuwen over vele locaties: India, Italië, China, Tibet, Frankrijk, Duitsland, Nederland… Bovendien valt de Siddhartha al vrij vroeg in Alexandrië in twee stukken uiteen, waardoor ook de plot zich splitst – alweer een mooie narratieve vondst. Het grootste stuk verliest gaandeweg zijn glans, wordt zwart en verdwijnt weer in de aarde, maar het kleinste stuk blijft fonkelen en doorstaat alle eeuwen.

Het centrale thema van de roman is in feite de menselijke hebzucht en machtswellust. Telkens verlangen mensen ernaar de Siddhartha te bezitten, en veelvuldig moeten daar andere mensen voor sneuvelen, en later regelmatig ook de eigenaars weer. Het begint er al mee dat Diptadharma, de eerste vinder van de diamant, eindigt op een paal: gespiest. Ik kan de roman niet anders interpreteren dan als een allegorie van de hebzucht en een metafoor voor het kapitalisme: hoe mensen door de eeuwen heen trachten rijkdom, en daarmee wereldse of religieuze macht, te vergaren over de ruggen van anderen. De roman heeft echter een ontnuchterend en tamelijk opzettelijk knullig einde. De kleine Siddhartha komt bij toeval in bezit van een jonge Nederlandse boerenknecht, schillenboer Krijn, en die gooit de diamant in de kachel om te testen of ‘ie wel echt is. Als de diamant opbrandt als een peperduur stuk steenkool, realiseert Krijn zich welke stommiteit hij heeft begaan. Hij verdwijnt de schuur in en houwt zich met een zeis het hoofd af. “Ik krijg een buil, dacht Krijn. En toen: ik heb keelpijn.”

Vele jaren nadien heb ik me naar aanleiding van de roman afgevraagd of een diamant daadwerkelijk kan branden: het is immers het hardste materiaal op aarde. Maar ik ben er dankzij internet inmiddels achter: ja, een diamant bestaat uit zeer compacte koolstof en kan inderdaad branden. Er is 600 tot 800 graden Celsius voor nodig om een diamant te verbranden: hoogovens en vulkanen halen die temperatuur met gemak. Maar ook in een flink gestookte kachel kan de hitte in de kern van de brandhaard oplopen naar zo’n 800 graden.

De Diamant heeft als ondertitel Een voorbeeldige geschiedenis. Inderdaad een voorbeeldige geschiedenis van de vele sterfgevallen rond een veredeld stuk steenkool.

Theo Meder

[Eerder verschenen als: Theo Meder: ‘Siddharta’, in: Marginalia voor Marijke. Bundel ter gelegenheid van het afscheid van Marijke Meijer Drees van de opleiding Nederlands van de Rijksuniversiteit Groningen. Groningen, 2020, pp. 18-21]

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s