Monthly Archives: February 2013

Hoe broodjeaapverhalen aan hun Broodje Aap kwamen

In sommige landen krijgen moderne sagen als genre een speciale naam. In Zweden heten ze Klintbergers omdat ze daar verzameld en gepubliceerd zijn door Bengt af Klintberg. In Nederland hebben de sterke verhalen ook een bijzondere naam: broodjeaapverhalen (volgens het Groene Boekje moet je dat tegenwoordig aan elkaar schrijven). Dat deze naam ontleend is aan de titel van het eerste boekje met Nederlandstalige urban legends uit 1978, namelijk Broodje Aap van Ethel Portnoy, is geen geheim. Portnoy gaf de verhaaltjes uit onder de ondertitel De folklore van de post-industriële samenleving. De titel van het boekje is ontleend aan de titel van één specifiek verhaal dat uitgever Jaco Groot van De Harmonie erg aansprekend vond (aldus docent journalistiek en nieuwe media Peter Burger). Aangezien het om een Nederlands boekje gaat, is het eigenlijk een beetje raar dat het verhaal ‘Broodje Aap’ zelf helemaal niet in Nederland speelt. Het verhaal gaat zo:

Broodje aap

Op een avond kreeg de politie in een achterbuurt van de Bronx een telefoontje: er was op straat een onthoofd, van de huid ontdaan lijk aangetroffen. Ze brachten het snel naar het politielaboratorium waar de patholoog-anatoom verklaarde dat het niet het lichaam van een mens, maar van een gorilla was. Het bleek dat twee vrachtauto’s in botsing waren gekomen, de een bij het wegrijden, de ander bij het binnenrijden van een hotdog fabriek. De achterdeuren van de laatste waren opengeklapt en het kadaver was de straat ingerold. Toen de politie een onderzoek instelde in de fabriek, vonden ze er gevilde en onthoofde kadavers van een aantal apen en beren. De fabrikant bekende ze voor een zacht prijsje te hebben gekocht van de dierentuin. (p. 116)

Image

Broodje Aap uit 1978

Het verhaal speelt in de VS. Het verhaal kan niet in Nederland spelen omdat hotdogs hier in 1978 nog geen gemeengoed waren. Nu was de schrijfster van origine Amerikaans, evenals trouwens de illustrator van het boekje Scott Neary. Ethel Portnoy werd in 1927 geboren in Philadelphia, maar groeide in de Bronx in New York op als dochter van Russisch-joodse immigranten. In 1950 vertrok ze naar Europa, ging in Parijs culturele antropologie en archeologie studeren, ontmoette de Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek en trad in 1951 met hem in het huwelijk. In 2004 is Ethel Portnoy overleden in Den Haag.

De moderne sage van het Broodje Aap is in Nederland nooit uit de mondelinge overlevering opgetekend, noch vóór noch na de publicatie van Portnoy. De paar Neder­landse ‘optekeningen’ die we van ná het boekje hebben, zijn letterlijke overschrijfsels van de tekst van Portnoy. Aangezien de schrijfster zelf in The Bronx heeft gewoond, zou men verwachten dat ze het verhaal daar ook zelf gehoord heeft. In de noten achterin het boekje schrijft Portnoy evenwel:

Ik kreeg één versie van dit verhaal van Scott Neary (die de fabriek situeerde bij Hunt’s Point in het zuiden van de Bronx), en vond later nog een andere versie in De Telegraaf, in een rubriek getiteld ‘Zo eet Amerika’, vanuit New York opgestuurd door Edo Brandt. In de versie van Brandt was het lijk in de goot niet alleen onthoofd, maar ook gevild, waardoor het, vermoedelijk, nog meer leek op het lichaam van een mens. (p. 211)

Portnoy kende het verhaal dus niet zelf, maar in twee versies van haar illustrator en van een journalist. De versie van Scott Neary valt niet te achterhalen, maar de versie van de journalist wel. In de Telegraaf van dinsdag 16 maart 1976 schreef correspondent Edo Brandt op pagina 7 in de column ‘New York’ een stukje onder de titel ‘Zo eet Amerika’. Het tot nu toe oudst-bekende broodjeaapverhaal over het Broodje Aap komt bij Brandt aan het einde van zijn bespiegelingen en luidt aldus:

De hot-dogs worden vervaardigd uit runder- en varkensvlees. In de noordelijke wijk van New York, de Bronx, hebben de inwoners enige tijd voldoening kunnen smaken om hot-dogs te eten van gorilla- en berevlees en mogelijk van nog enkele andere min of meer exotische vleessoorten. Zij waren er trouwens niet van op de hoogte te zijn uitverkoren tot debutanten in het verorberen van deze bizarre lekkernijen.

Het ware verhaal luidt als volgt. Op het politiebureau in de Bronx, luisterend naar de naam “Fort Apache” vanwege de vele belegeringen door heethoofdige buurtbewoners, komt op een avond een telefoontje binnen dat in een goot het lijk van een onthoofde en gevilde man is gevonden.

Geen opwekkende klus voor de geharde mannen van Fort Apache, die over het algemeen toch zijn gewend aan toestanden, waarbij vergeleken het Amsterdamse bureau Warmoesstraat een rusthuis is.

[…]

Kortom, een patrouillewagen trekt er op uit en de ambulancedienst wordt gewaarschuwd. En inderdaad, daar in de rillerige avondlucht ligt het duidelijk ontzielde lichaam. Wel een erg groot lichaam, vinden de politiemannen. De dokter verricht zijn routine-onderzoek snel en deskundig. “Rare zaak,” mompelt hij plotseling. “Dit was geen mens, maar een gorilla.”

Het duurde enige tijd voordat de oplossing van deze unieke zaak was gevonden. Eerst werd ongeveer op dezelfde plaats nog het onthoofde en eveneens gevilde lichaam van een beer aangetroffen, maar toen waren de speurders er ook gauw achter.

Het ging hier om dieren, die waren gestorven in de Bronx Zoo, één van de grootste dierentuinen ter wereld. Een worstfabriek in Bronx ontfermde zich vervolgens liefdevol en tegen een lage kostprijs over de kadavers, die vrolijk tot hotdogs werden vermalen. Smakelijk eten.

Let wel: de journalist vertelt het verhaal niet als een onwaar broodjeaapverhaal, maar als een stukje waargebeurd nieuws, zoals het een goed broodjeaapverhaal betaamt.

Image

De oudste versie van het Broodje Aap in de Telegraaf van 16 maart 1976

 

De urban legend van het Broodje Aap heeft het in de Nederlandse mondelinge overlevering nooit echt geweldig gedaan. Je kunt je zelfs afvragen of het überhaupt wel een Nederlands verhaaltje is. Anderzijds, een breed circulerend Amerikaans verhaaltje lijkt het ook niet te zijn, want volksverhaalonderzoekers hebben in de VS nooit een versie van het Broodje Aap opgetekend. In de omvangrijke encyclopedie van Amerikaanse urban legends van Jan Harold Brunvand komt het verhaal niet voor.

De vertelling van het Broodje Aap is in essentie een verhaal over geknoei met voedsel. Goedkope dierenlijken worden gebruikt om een gewild product als de hotdog op een goedkope manier van suspect vlees te voorzien. Het vlees is in tweeërlei opzicht suspect. Ten eerste gaat het om kadavers van dieren waarvan niet bekend is waar ze aan zijn overleden. Ouderdom? Ziekte? Het kweken en slachten van vlees voor consumptie is niet voor niets aan allerlei regels gebonden. Ten tweede eten we als mens – afhankelijk van onze culturele en religieuze achtergrond – maar een bepaalde categorie veedieren: geit, schaap, kip, vaak rund, eventueel paard en soms varken. Veel andere dieren zijn taboe om op te eten. Huisdieren als kat en hond worden doorgaans niet gegeten, met konijn krijgen we in de westerse wereld steeds meer moeite, omdat het ook een knuffeldier geworden is. Dierentuindieren behoren veelal evenzeer tot de taboedieren als het om consumptie gaat. Volksverhalen over het verontreinigen van voedsel met taboedieren hebben Nederlanders wel, maar dan gaat het toch vooral om de Chinees die verdacht wordt hond of kat in de gerechten te verwerken. Enerzijds omdat de Chinese gerechten ondanks het vlees spotgoedkoop zijn, anderzijds omdat in bepaalde Aziatische landen wel hond gegeten wordt.

Waarom zouden wij in de jaren ‘70 een urban legend vertellen over dierentuindieren die in de Bronx in hotdogs gestopt worden? New York is zo ver weg, Amerikaanse hotdogs werden door ons destijds niet geïmporteerd, en ze behoorden ook niet tot onze snack-cultuur. Het feit dat Scott Neary het verhaal kende, bewijst dat het verhaal tenminste korte tijd in New York gecirculeerd moet hebben. Maar blijkbaar heeft het verhaal iets meer indruk gemaakt op de Nederlanders dan op de Amerikanen. Journalist Edo Brandt pikte het verhaal op in New York, en de context waarin hij het verhaal opdist zegt veel over de functie van de vertelling.

Als we in de column lezen hoe Amerikanen eten dan heeft dat tegelijkertijd iets herkenbaars en iets karikaturaals. De journalist gooit een aantal clichés op een hoop, eigenlijk niet zozeer over Amerikanen als wel over bepaalde New Yorkers. Om te beginnen lopen volgens onze correspondent de Amerikanen de hele dag op bonken kauwgom te kauwen. Als Amerikanen eten dan smakken ze luid. Na het eten wordt er geboerd. Amerikanen zijn sowieso een luidruchtig volk. En ze hebben ook de vieze gewoonte om in de trein hun nagels te knippen. De Amerikaan eet (te) veel en (te) vaak. Het hoofdbestanddeel bestaat uit vlees en de porties zijn enorm. De houding tijdens het eten is uitgeblust en liederlijk: het hoofd wordt ondersteund en de elleboog rust op tafel (wat volgens de toen geldende Nederlandse etiquette zeker niet mocht). De Amerikaan is ook een snacker. Tussen de maaltijden door eet hij ook veelvuldig; ook ’s nachts weet hij de weg naar de ijskast te vinden. Favoriet voedsel zijn onder andere hotdogs en hamburgers.

De karikatuur die we hier voorgeschoteld krijgen is die van de onbeschaafde en onmatige veelvraat. Wat de journalist wil zeggen is: die Amerikanen hebben geen manieren en wijken in allerlei opzichten af van de beschaafde Nederlanders. Niet voor niets begint de hele column met de uitspraak:

Als het waar is, dat men de karaktertrekken van de bewoners van een land kan aflezen aan hun eetgewoonten, dan staat de gemiddelde Amerikaan er niet al te best voor.

Eigenlijk komt het er op neer dat Amerikanen een stelletje smerige en onbeheerste vreters zijn. Het verhaal over het Broodje Aap moet min of meer als uitsmijter fungeren. Niet dat het verhaal illustreert dat Amerikanen probleemloos en vrijwillig overleden gorillavlees eten. Maar het verhaal illustreert wel dat er tegenover onbeschaafde consumenten ook nog eens een perverse voedselindustrie staat, die het niet zo nauw neemt met de gezondheid en het welzijn van de consumenten. Het gecorrumpeerde kapitalistische systeem is meer geïnteresseerd in winstmaximalisatie dan in consumentenbelangen. In de jaren ’70, zo kort na de Vietnamoorlog, kon Amerika in de links-intellectuele kringen in Nederland en Europa weinig goed doen, en dat negatieve oordeel werkte zelfs door in een conservatieve krant als de Telegraaf.

Het verhaal van het Broodje Aap moet in de jaren ’70 toch tenminste korte tijd in New York hebben gecirculeerd, maar is vervolgens een (niet buitengewoon populair) Nederlands verhaal geworden, en wel van het type ‘Rare Jongens, die Amerikanen’. We hebben er nog zo eentje, over dat oude Amerikaanse vrouwtje met haar natgeregende poedeltje. Om op te drogen stopte ze het hondje even in de magnetron, waarna het dier uit elkaar spatte. Maar, vermeldt het verhaal uitdrukkelijk, het vrouwtje klaagde de fabrikant van de magnetron aan, want in de handleiding stond niet dat je je huisdier niet in de magnetron mocht stoppen. Het vrouwtje won de rechtzaak, ontving een schadevergoeding, en sindsdien staat in elke handleiding van een magnetron dat je je huisdier er niet in mag stoppen. Zoiets belachelijks kan alleen maar in Amerika, niet in Nederland.

Literatuur

Jan Harold Brunvand: Encyclopedia of urban legends. Updated and expanded edition. Santa Barbara, ABC-CLIO, 2012.

Ethel Portnoy: Broodje Aap. De folklore van de post-industriële samenleving. Met tekeningen van Scott Neary. 10e druk. Amsterdam, De Harmonie, 1992.

Advertisements

1 Comment

Filed under Uncategorized