Het spookje van Huissen

Spookje van Huissen.

Afgelopen week kreeg de Nederlandse Volksverhalenbank een mailtje binnen met de volgende inhoud:

Geachte  redactie, 

Sinds kort wordt het spookhuis (in Huissen) gerenoveerd. Een werknemer moest foto’s maken voor de koper van het pand en ontdekte een jong meisje op zijn foto’s. Het meisje heeft iets in haar hand en heeft oudewetse kleding aan uit de 19e eeuw. Ik kan de foto sturen!! Info: 06-xxxxxxxx.

Mvg,

HvL

Natuurlijk was ik wel nieuwsgierig en vroeg om de foto, die ik de volgende dag per mail kreeg toegestuurd (zie boven). Het begeleidende mailtje luidde nu:

Ik stuur u de foto van het meisje van het spookhuis in Huissen. Wat heeft zij  in haar handen? Houten blokken?

Ik  hoor later u reactie hierop. 

Veel succes!

Nu geloof ik niet in geesten, en ook niet dat het camera-oog meer ziet dan het menselijke oog. Maar hoe bewijs je dat dit een gemanipuleerde foto is? Om te beginnen heb ik het detail van het spookje maar eens opgeblazen.

GhostGirl

Voorts kwam ik erachter dat het om het ‘spookhuis’ ging van Johan Vlemmix. Andere ghostbusters hadden deze gang ook al eens gefotografeerd.

DSC01069

Het detail van de witte muur achterin verraadde fotomanipulatie. Een Facebook collega wees mij verder op het bestaan van apps waarmee je spoken aan foto’s kunt toevoegen. Ik besloot Ghost in Photo op mijn telefoon te installeren en kon moeiteloos aan mijn foto van de Alamo een geestverschijning toevoegen.

SpookyPhotoApp

Een andere Facebook collega maakte onderstaande foto van een geest in een parkeergarage.

22405761_1670236903007840_7811901862506296741_n

Na enig wikken en wegen stuurde ik dit antwoord retour aan de inzender van het spookje van Huissen:

Beste H.,

De foto die je stuurde was wel in een erg lage resolutie. Gangbaar bij een gewone camera is 300 dpi, maar dit was 72 dpi, de standaard voor internetplaatjes.
Ik stuur je een vergrote foto en een tweede foto van de gang.
Je ziet door het spookje heen hoe de vloer achter haar in een bocht doorloopt (net als op de foto van de gang zonder spookje).
Dat betekent dat de deur open staat. Maar de andere foto laat zien, dat de muur achter het spookje dan wit moet zijn.
Het vlak rond het spookje is nu echter bruin opgevuld.
Er zal dus sprake zijn van enige fotomanipulatie.
Het is met een app als Ghost in Photo heel eenvoudig om een geest aan een foto toe te voegen.
Ik stuur je een foto van mij van de Alamo, waar ik een geest aan heb toegevoegd.
Een collega van mij maakte met een soortgelijke app een foto van een geest in een parkeergarage.
We hebben ook in het geval van het ‘spookhuis’ van Johan Vlemmix geen foto van een echt spookje (whatever that may be) – er is trucage in het spel. Als grap is ‘ie best geslaagd.
Een fijn weekend toegewenst!

Groeten van Theo

Advertisements

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Bewijs dat de Bijbel fictie is?

handwritten-draft-of-the-bible-discovered-proves-work-of-fiction-m14717

Vorige week verscheen hier een online artikel met het opschrift: ‘Handwritten Draft of The Bible Discovered Proves Complete Work of Fiction: Shows how religious narratives progressed through revisions’. Dat verhalen in de overlevering de neiging hebben om te veranderen is een vaststaand feit. Dat auteurs van de Bijbel hun verhalen ieder op hun eigen manier navertelden… ook dat is waar, anders hadden we niet vier evangeliën gehad die op verschillende detailpunten van elkaar afwijken. Dat nu na een nieuwe vondst opzettelijke bewerkingen zouden aantonen dat de Bijbel pure fictie is, dat is dan wel weer sterk – dat riekt naar sjoemelsoftware uit het jaar nul. Maar het zit anders: aan het hele artikel zit een luchtje, en ik schreef op Facebook:

“Ik ben bang dat het artikel zelf fictie is. Zou het nu nog gaan over zeer vroege bijbelboeken in Hebreeuws, Aramees, Grieks of Latijn, dan zou ik nog eens beter lezen. Maar dit gaat over de Engelse King James vertaling uit 1611 (renaissance dus), en je zou dus hoogstens mogen beweren dat de Engelse vertaling niet deugde. Dat de bijbel daardoor een ‘book of fiction’ is, is een onzinnige conclusie. Het is het misschien wel, maar niet op basis van deze argumenten. Bovendien: nergens wordt deze vondst in de reguliere media bevestigd [herstel: toch wel, maar al 2 jaar geleden; zie naschrift]. De link in het artikel gaat naar een onveilige hackerssite. Kortom: in alle opzichten oppassen geblazen…

Ik vergat nog te zeggen dat de meegeleverde foto ook nogal onzinnig is. Waarom zou onze huidige paus Franciscus mismoedig staan kijken? Het gaat om de bijbel van de Anglicaanse kerk, en die heeft alle banden met Rome verbroken sinds 1534 (Hendrik VIII). Het is op de foto moeilijk te beoordelen welk handschrift er staat afgebeeld. Het betreft hoofdstuk 8 (Cap. 8) en de regels worden genummerd. Zo te zien gaat het inderdaad om Engels en om een (apocriefe?) bijbeltekst, maar ik kan het handschrift niet zo maar dateren. Het is geen perkamenten handschrift, maar een papieren, dus dat kan kloppen met de tijd. Echter, wat je op de linker pagina ziet, zullen geen aanwijzingen zijn in de zin van: “deze passage wel, deze passage anders etc.” Het zijn niet ongebruikelijke glossen: annotaties die uitleg geven bij de tekst (wij zouden het noten noemen). Kortom: ook de foto is uiterst suspect (en een montage).”

 

15KINGJAMES-master1050

NASCHRIFT: de vondst van het manuscript is overigens geen fictie, zoals uit dit serieuze artikel in de New York Times uit 2015 blijkt, maar geen van de sensationele gevolgtrekkingen is in dit artikel terug te vinden: alleen dat de vertalers begin 17e eeuw soms toch individueel te werk gingen in plaats van als een team, zoals opgedragen.

Leave a comment

Filed under Uncategorized

Alweer profielwerkstukkentijd

7f1209b0-475b-4d7e-92a3-6069283ac793_brainstorm-pws_6d6643fd_640x430

Interview met Theo Meder

De vragen kwamen dit keer (per email) van Suzanne van Hassel en Sam Spijker (Wageningen, 5 havo).

Hoe denkt u over de sprookjes van de gebroeders Grimm, Hans Cristiaan Andersen en Charles Perrault?

Als wetenschapper hoef ik geen moreel of esthetisch oordeel te hebben. De sprookjes zijn zoals ze zijn en dat moet ik maar accepteren. Wel hou ik me als onderzoeker vooral bezig met de mondelinge overlevering van sprookjes, dus met het vertellen. Van Andersen is duidelijk dat hij alle sprookjes zelf bedacht en geschreven heeft; slechts drie sprookjes zijn aan de mondelinge overlevering ontleend. Hoe dat bij Perrault is gegaan weten we niet zeker. De Grimms hadden de bedoeling om verhalen uit de mondelinge overlevering op te tekenen, maar ze hebben ze wel zelf nog behoorlijk zitten bewerken, totdat ze aan hun romantische ideaal voldeden.

Mijn persoonlijke voorkeur gaat toch uit naar de Grimms, omdat zij verzameld hebben vanuit een wetenschappelijke doelstelling, namelijk de verhalen van het volk vast te leggen en te bestuderen op ouderdom en herkomst. De minst sympathieke van de drie vind ik persoonlijk Andersen. Het was zo’n steile protestant, wiens geloof erg doorklonk in zijn sprookjes, terwijl in volkssprookjes religie helemaal niet zo’n belangrijke rol speelt. In de Rode Dansschoentjes worden de benen van het meisje met schoenen en al afgehakt omdat ze in de kerk had gedansd – daar was God boos over, en nu was het gehandicapte meisje nog blij ook dat ze niet meer danste. De kleine zeemeermin krijgt haar prins niet, keert terug naar zee, sterft en vervalt tot schuim. Het meisje met de zwavelstokjes sterft van de kou – ik had liever dat iemand haar geholpen had. Maar Andersen vindt dit een fijn einde, want nu wordt het meisje door haar oma meegenomen naar de hemel. Natuurlijk, als je gelovig bent, dan is dat een prettige gedachte, maar ik geloof niet, en zie dus vooral een zielig meisje doodgaan om wie niemand zich bekommert op aarde.

Wat is uw favoriete sprookjesschrijver en welk sprookjes van hem vind u het best/ mooist? En waarom?

Ik doe niet zozeer onderzoek naar schrijvers als naar verhalen en vertellers. Mijn favoriete sprookje is De Magische Vlucht, maar wie dat het eerste verteld of bedacht heeft, dat weten we niet. Het is ook helemaal niet zo’n bekend sprookje meer: de meeste mensen kennen het tegenwoordig niet meer.

Ik vind het mooi omdat het een ‘maximaal’ sprookje is: alle elementen die je je maar kunt indenken, zitten erin. Het is daardoor een lang sprookje, en er zit veel magie in. Dat fascineert me altijd wel.

Wat vindt u van hoe sprookjes nu in beeld worden gebracht (bijvoorbeeld in films)?

Een onderzoeker kijkt vooral toe en stelt vast, en heeft daar verder geen oordeel over. Wel vind ik persoonlijk de oudere Disneyfilms erg suikerzoet en rolbevestigend. Typische producten van hun tijd dus. Sneeuwwitje mag dan een prinses zijn, omdat ze vrouw is moet ze wel vrolijk zingend het huishouden doen… Dat had ze thuis nooit gehoeven als prinses zijnde.

De huidige films met acteurs zijn minder op een kinderpubliek gericht (zoals sprookjes vroeger ook niet voor kinderen bedoeld waren). In die films zit wat meer erotiek, seks en geweld (zoals vroeger). Passieve sprookjesheldinnen zoals Roodkapje en Sneeuwwitje spelen nu een veel actievere en geëmancipeerder rol. Daarmee passen de films bij de moraal van vandaag. Het is wel erg anachronistisch, want vroeger werd van vrouwen niet geacht dat ze de strijd aangingen.

Zie verder: https://pure.knaw.nl/portal/files/472310/2095_001.pdf

en http://members.chello.nl/m.jong9/Damsels.pdf

Wat denkt u dat er veranderd is aan de illustraties bij sprookjes?

Daar heb ik eerlijk gezegd niet zo’n zicht op; mondelinge verhalen hebben geen illustraties. Maar mogelijk dat de illustraties vroeger wat romantischer en ook gruwelijker waren, en tegenwoordig wat liever en meer rekening houden met de tere kinderziel. Als je naar de plaatjes van Roodkapje kijkt, dan zie je haar als het ware verkleuteren. Bij Perrault is het nog een puber / tiener, veel later scheelt het soms niet veel of ze heeft een luier aan. Dat maakt haar slachtofferschap wel steeds onschuldiger. In de meer literaire sprookjesboeken zijn de illustraties vooral kunstzinnig geworden (Zwart als Inkt, Assepoes, de boeken van Marita de Sterck).

Wat is er in de loop der tijd veranderd aan de klassieke verhalen?

Omdat het publiek veranderd is – van volwassenen naar pubers naar kinderen – is het allemaal wat suikerzoet geworden. De avonturen van vroeger waren rauwer, erotischer, wreder, gewelddadiger, minder gevoelig. In de oude sprookjes is minder oog voor de rechten van de vrouw, het kind, het dier en het milieu. Je komt er geen vegetariërs tegen of Groen Linksers. Vroeger mocht je een kat gewoon schoppen als je dacht dat het een heks was, tegenwoordig ben je een held als je een dier redt. De sprookjes veranderden van publiek, en namen de nieuwe moraal over.

Vindt u dat sprookjes nu nog steeds belangrijk zijn in onze samenleving en waarom?

De vraag veronderstelt dat ze vroeger wel belangrijk waren, wat ik niet zeker weet. Verhalen zorgden voor gezellig samenzijn, gaven vermaak en waren soms leerzaam (een beetje zoals de tv van nu, maar daar zouden we best zonder kunnen). De verhalen droegen de heersende moraal over aan anderen. In die functies is eigenblijk niet veel veranderd, alleen de media zijn anders geworden: tv, film, computer, tablet. Sprookjes zijn vooral ook belangrijk zolang mensen vinden dat het belangrijk cultureel erfgoed is. Maar eigenlijk zijn heel wat sprookjes al vergeten, en beperkt onze kennis zich tot een tien- tot twintigtal sprookjes uit de canon. Er zijn in het leven altijd andere dingen die veel belangrijker zijn zoals liefde, vrede, voedsel, drinken, gezondheid, scholing, geld, geborgenheid… In zeker opzicht zijn sprookjes een kunstzinnige en fantasievolle luxe waar we ook zonder kunnen. In het Braziliaanse Amazonewoud wonen Indianen die heel gelukkig leven zonder sprookjes of fantastische verhalen (of religie). Die zijn bij hen taboe en daar schijnen ze niet ongelukkig van te worden.

Waarom vindt u volksverhalen zo interessant/mooi en waarom heeft u hiervan uw beroep gemaakt?

De vraag impliceert dat ik sprookjes mooi en interessant vind en dat ik er mijn beroep van heb gemaakt (maar misschien vind ik de Toccata en Fuga van Bach wel mooier).

Om te beginnen hield mijn moeder niet van sprookjes, heb ik ze weinig gehoord en miste ik ze ook niet. Toen ik ze later hoorde of las vond ik ze wel mooi vanwege de fantasie die erin zit, maar ik vind moppen ook leuk en broodjeaapverhalen. En strips en romans. Ik heb wel altijd van verhalen gehouden, maar in het begin toch meer van de Donald Duck dan van sprookjes. Ik ben later Nederlands gaan studeren omdat ik schrijver wilde worden, maar uiteindelijk ben ik onderzoeker geworden. Ik ben afgestudeerd en gepromoveerd met middeleeuwse verhalen als specialisme. Mijn proefschrift ging over Willem van Hildegaersberch; dat was een sprookspreker, maar dat is geen sprookjesverteller. Toen ik werkloos werd heb ik gesollicieerd bij het Meertens Instituut omdat ze een verhalenonderzoeker en een databasebouwer wilden hebben. Toen ben ik me pas echt met sprookjes gaan bezighouden – maar ik heb dit beroep niet gekozen maar gekregen. Als ik een eerdere baan had gekregen, zat ik nu handleidingen bij software te schrijven. Ik ben wel blij dat het zo niet is gegaan. Onderzoek doen vind ik heel erg leuk, en als dat over volksverhalen mag gaan dan vind ik dat ook prettig. Maar als mijn leven iets anders was gelopen, was ik misschien wel pianist geworden…

1 Comment

Filed under Uncategorized

Oratie: De staart van de pauw

01Peacock

De heer dr. T. (Theo) Meder, vanwege de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en het Meertens Instituut benoemd tot hoogleraar in de Faculteit der Letteren met de leeropdracht Volksverhaal en vertelcultuur van de middeleeuwen tot heden in Nederland in een internationale context, houdt op 13 september 2016 om 16.15 uur zijn oratie getiteld:

De staart van de pauw.

Onderzoek naar variatie en continuïteit in betekenis, vorm en functie van het volksverhaal.

De Rector Magnificus nodigt u graag uit om hierbij aanwezig te zijn. Na afloop is er een receptie in het Academiegebouw. Wilt u zich aanmelden vóór 6 september met bijgaande antwoordkaart? Oratie Meder U kunt zich ook aanmelden op de website via: www.rug.nl/oraties

Togati worden om 16.10 uur verwacht in de Senaatskamer in het Academiegebouw.

Deze uitnodiging geldt als plaatsbewijs voor het aantal aangemelde personen.

DATUM: 13 september 2016

TIJD: 16.15 uur

LOCATIE: Aula Academiegebouw (Broerstraat 5, Groningen)

03ruglogo

Leave a comment

Filed under Uncategorized

De nachtmerrie

Kort na middernacht op donderdag 22 juni 1911 werd er op de deur gebonsd van huisarts Cor Bakker in Broek in Waterland. Of de dokter mee wilde komen naar Zuiderwoude, want vrouw Lof lag op het punt van bevallen. De dokter kleedde zich aan, greep zijn spullen en liet zich door de man naar Zuiderwoude roeien. De aanstaande vader, veehouder Jan Lof, liet de dokter binnen. Boer Lof was 55 jaar, zijn tweede vrouw Aaltje was 36 en ze moest bevallen van haar eerste kind. De dokter stelde vast dat de ontsluiting nog niet ver genoeg gevorderd was, maar het had natuurlijk geen zin om zich weer het hele eind te laten terug roeien. Dokter Bakker kreeg een bed toegewezen waarin hij zo lang kon rusten.

De volgende ochtend was er nog altijd sprake van weeën, maar nog was er te weinig ontsluiting. Het zou uiteindelijk tot zaterdagavond zes uur duren voordat Jan Lof junior werd geboren. En al die tijd verbleef de dokter op de boerderij. Zoals wel vaker besloot hij boer Lof te interviewen, want de dokter verzamelde volksverhalen voor zijn vriend Gerrit Boekenoogen uit Leiden. De boer vertelde twaalf sagen, twee sprookjes, vijf moppen en een persoonlijk verhaal, en de dokter maakte aantekeningen in een klein boekje. Na een paar bovennatuurlijke vertellingen zegt Jan Lof eigenlijk niet te geloven in die paranormale zaken. Toch is er één ding, dat hij nooit goed heeft weten thuis te brengen. En dan begint hij een verhaal in de ik-vorm te vertellen, dat alsvolgt geparafraseerd kan worden:

Ik lag ‘s ochtends op bed, en ik was wakker. Plotseling scheen er een fel licht in de kamer, alhoewel niemand het licht had aangedaan. Ik hoorde voetstappen naderen, maar ik lag als verlamd in bed en kon niets zien. Bij mijn voeten voelde ik iets op mijn benen springen, dat naar boven kroop en op mijn borst ging zitten. Ik kreeg het stikbenauwd en kon me niet bewegen. Toch besloot ik al mijn moed te verzamelen en toe te grijpen – ik vermoedde dat het een kat was. Dus met alle kracht die ik in me had greep ik naar het wezen dat op mijn borst zat, maar… ik greep in het luchtledige. Even later kroop het wezen weer naar beneden, ik hoorde het van het bed op de vloer springen, waarna de voetstappen verdwenen. Toen dimde ook het felle licht. Alles was weer normaal: ik kon me weer bewegen en ik kon weer ademhalen. Angstig wilde ik de dekens over me heentrekken, maar vreemd… die lagen opgerold aan mijn voeten.

En dit is me niet één keer, maar meerdere malen overkomen. Ze zeggen wel dat het de nachtmerrie geweest is. Ik kan dat nauwelijks geloven, maar zoiets moet het toch geweest zijn.

Zo’n unieke historische optekening heb ik in het Nederlands nog maar één keer aangetroffen. Het opvallende is dat dit type verhaal over de hele wereld terug te vinden is, in alle culturen. Er zijn zelfs schilderijen en tekeningen over gemaakt.

1a9b4bcda9ea138dd42a7000641c787a

‘De Nachtmerrie’ uit 1781 van John Henry Fuseli (1741-1826)

In het Nederlands wordt het fenomeen de nachtmerrie genoemd, in het Duits de Drückgeist en in het Engels de Old Hag (ouwe heks). In de middeleeuwen was het fenomeen ongetwijfeld geïdentificeerd geweest als de duivel, of meer in het bijzonder de incubus of succubus (mannelijke en vrouwelijke seksduivel). Het is sterk afhankelijk van de cultuur waarin men opgroeit, welke naam men aan de ongenode bezoeker geeft. In de huidige tijd zou een gelover in buitenaardse wezens kunnen denken dat het een alien visitation is geweest. Tot de kern van het verhaal behoort het beeld dat er een wezen op iemand zit en dat deze persoon verlamd is en niet kan ademhalen. Het visioen gaat vaak gepaard met lichtverschijnselen en geluiden.

Nog niet zo lang geleden is men er in de medische wetenschap achter gekomen wat er aan de hand is. Het fenomeen staat nu bekend als sleep paralysis, slaapverlamming. Normaal gesproken doorloopt men in de slaap een aantal cycli van diepe en oppervlakkige slaap. Tijdens de oppervlakkige slaap droomt men; dit heet wel de REM-slaap vanwege de rapid eye movement. In de REM-slaap zijn de spieren verlamd, want anders zou men in bed alle bewegingen gaan nadoen die men droomt. Bij sleep paralysis treedt er een verstoring op: de patiënt wordt wakker tijdens de REM-slaap. Tijdens de waaktoestand doet zich dan een stereotype droom voor zoals hierboven beschreven. Het fenomeen wordt door patiënten als gruwelijk realistisch ervaren en sommigen houden er een waar post-traumatisch stress-syndroom aan over. Het fenomeen is op zichzelf niet gevaarlijk, en duurt niet langer dan een paar minuten.

Als ik dit verhaal vertel tijdens een lezing of tijdens college dan komt het regelmatig voor dat iemand in het publiek dit echt zelf heeft meegemaakt, of iemand kent die dit heeft meegemaakt. Men kan zich indenken dat zulke ervaringen vroeger het geloof in demonen enorm versterkt heeft. Filmmaker Alex van Warmerdam heeft onlangs in de film Borgman (2013) het traditionele beeld van de nachtmerrie nieuw leven ingeblazen. Wie het volksverhaalfenomeen niet kent, zal van de film niet al te veel begrijpen.

Borgman1

Scene uit Borgman (2013) van Alex van Warmerdam

Zie voor de oorspronkelijke optekening van dokter Bakker de Nederlandse Volksverhalenbank: http://www.verhalenbank.nl/items/show/9326

8dce7630914d2205c27344c02179788a

Modern internetplaatje over de horror van sleep paralysis.

Leave a comment

Filed under Uncategorized

The Camelephantelopelicanary

This is one of the stories I remember Bill Nicolaisen (1927-2016) telling us one evening. It must be some 15 years ago or so , and I have to improvise the gaps in my memory while writing the story down now. It is kind of a children’s story and the hard part for the narrator is pronouncing the names right without hesitation. According to Wikipedia the story is an example of ‘Literairy Nonsence‘, it probably goes back to the Victorian Age, and it is known to – at least – have been told since the 1920’s. By lack of recordings from oral tradition the exact plot of the story isn’t certain. Clive Dale used the folktale for his children’s book Clive the Magic Camel at the Zoo.

Bill

The Camelephantelopelicanary

Once upon a time there was a camel.

He wasn’t a very happy camel because he thought he looked dull and stupid with this ugly lump on his back.

The camel wished he would look more like the other animals.

One day he walked through the woods and encountered a big grey animal.

What are you called?” the camel asked.

I’m an elephant,” he replied and casually picked a peanut from the floor with his trunk.

I wished I could do that”, the camel said in admiration.

And all of a sudden the camel got a grey trunk too.

As he walked on, he encountered an antelope making giant leaps.

The antelope stopped because he had never seen such an animal before.

What kind of animal are you?” he asked.

I’m a camelephant. I wish I could make such high jumps as you can. What are you called?

I’m an antelope.”

And all of a sudden the camelephant got the skinny legs of the antelope as well.

He started jumping around and near the lake he met a pelican.

What strange creature are you?” the pelican asked.

I am a camelephantelope.”

Never heard of”, said the pelican: “At least everybody knows I am a pelican.“

And the pelican put a few fish in her throat pouch to bring home to her children lateron.

I wish I could do that,” the camelephantelope said.

And all of a sudden he got a pouch just like the pelican.

On he walked again, and after a while he heard the most beautiful singing voice.

He looked up and in a tree there sat the tiniest yellow bird singing wonderful songs.

The bird saw him too and stopped.

What kind of animal are you?” the bird asked.

I’m a camelephantelopepelican.”

No kidding,” the bird said.

What are you, my wonderful singer?”

People call me a canary.”

Oh, I wish I could sing like you…”

And the next time he opened his mouth, he could.

Proud as a peacock the camel walked through the woods, and everyone looked at him in utter amazement.

What on earth are you?” the snake finally asked.

I’m a camelephantelopepelicanary,” he replied in pride.

Then everybody started laughing so hard they could not stop.

The camelephantelopepelicanary looked at himself in the water of the lake an realised he looked kind of silly.

Oh, I wish I was an ordinary camel again,” he sighed.

And he turned into a camel again.

The animals in the woods started cheering.

That’s right,” the snake said: “nothing wrong with being a good old camel.”

The camel looked into the water once more and said: “You know what? He is right! There’s nothing wrong with being a camel.”

1 Comment

Filed under Uncategorized

Het is weer profielwerkstukkentijd!

quotes,fairytale

Niemand hoeft mij eraan te herinneren dat het weer tijd is om profielwerkstukken te gaan schrijven. Ieder jaar stromen de vragen vanzelf mijn mailbox binnen. Het zijn meestal groepen meisjes die “iets” met sprookjes willen doen. In het ergste geval zitten hun lieve hoofdjes vol met esoterische onzin, soms weten ze alleen vragen te stellen van het type “waarom houden mensen van sprookjes?” Als de school dichtbij is, willen ze me komen interviewen. Is de school ver weg, dan sturen ze een vragenlijst. Dit jaar kreeg ik onder andere een mail van Anneke, Channell, Josien en Britt uit Hengelo (HAVO 5), en hun docent stuurde er nog een mail achteraan dat het heus heel serieuze meiden waren, en of ik toch alstublieft wilde antwoorden. Ze kwamen uiteindelijk met acht vragen, die ik niet kon afdoen met verwijzingen naar FAQ-pagina’s of artikelen. Ik zet de vragen en antwoorden hier online in de hoop dat ik er later nog eens naar terug kan verwijzen.

1. Wat is de relatie tussen sprookjes en fantasy en hoe kan het dat de jeugd daar zo gek op is?

Van sprookjes wordt verondersteld dat ze (vroeger) vooral in de mondelinge overlevering hebben gecirculeerd. Fantasy is meer een literair en dus schriftelijk genre. Ze zijn dus wel verschillend, maar beide genres hebben als duidelijk raakvlak dat er in de verhalen dingen kunnen gebeuren die in werkelijkheid niet kunnen (zoals magie en een confrontatie met bovennatuurlijke wezens). Tegenwoordig kennen mensen sprookjes toch vooral uit sprookjesboeken, en daarmee komen de genres nog dichter bij elkaar. Wel is het zo dat sprookjes altijd in een onbestemd verleden spelen, terwijl veel fantasy zich in de toekomst kan afspelen, en een vorm van science fiction kan zijn.

Het tweede deel van jullie vraag klopt niet helemaal. Het zou moeten zijn: hoe kan het dat de jeugd daar NU zo gek op is. In de middeleeuwen was de jeugd bijvoorbeeld gek op ridderverhalen. Eind 19e en begin 20e eeuw waren jongeren gek op verhalen over cowboys en indianen. Tot in de jaren vijftig maakte Hollywood talloze westerns. Zo zijn er ook periodes geweest waarin de jeugd dol was op realistische verhalen, of juist op science fiction. Zulk soort voorkeuren lijken vooral een kwestie van mode. De liefde voor fantasy is eigenlijk pas ingezet met de Harry Potter-boeken. Geen enkele uitgever had dat zien aankomen, maar het bleek toch zo te zijn. Exit Pippi Langkous, hallo Harry Potter. Sindsdien is Hollywood naarstig op zoek naar aanverwante scenario’s. Naast Lord of the Rings en de Hobbit plundert men nu de aloude sprookjes. Zo’n mode gaat ook weer een keer over, al blijft er natuurlijk altijd een onderstroom van liefhebbers van verhalen over magie en andere onwerkelijke maar spannende zaken.

2. In de loop van de eeuwen zijn er veel verschillende versies van sprookjes ontstaan. Hoe kan het dat bepaalde versies zo bekend zijn en andere haast vergeten?

Vroeger waren sprookjes niet speciaal bedoeld voor (kleine) kinderen, maar meer voor pubers en volwassenen. Die versies waren vaak kind-onvriendelijker, wreed, gewelddadig, en sterk seksueel getint. In oudere versies kan het gebeuren dat Doornroosje door de prins in haar slaap wordt bezwangerd (wij zouden nu zeggen: verkracht), en ze wordt pas wakker als ze twee kinderen heeft gebaard. In andere versies kruipt Roodkapje geheel naakt in bed bij meneer de boze wolf, maar weet ze ook net op tijd weg te lopen. De stiefmoeder van Sneeuwwitje moet aan het eind van het verhaal gloeiend hete ijzeren schoenen aantrekken en zich op het bal dooddansen. Sinds het sprookje vanaf het eind van de 19e eeuw steeds meer ervaren wordt als een kinder-genre, zijn de seksuele en wrede elementen uit het verhaal gehaald. De volwassenen waren bang de tere kinderziel te schaden. Heel veel andere volwassen sprookjes zijn hierom in de loop der tijd verloren gegaan – al zijn ze wel tijdig opgetekend en gecatalogiseerd. De canon van nu nog gekende sprookjes is ingedikt van enkele honderden naar enkele tientallen, en het boek van de Grimms heeft daarbij ‘gewonnen’; de mooiste sprookjes hieruit staan nu nog altijd in de top tien.

3. Vanaf wanneer is men begonnen met het vertellen en/of schrijven van sprookjes?

Eigenlijk is op deze vraag geen goed antwoord te geven, omdat we dat allemaal niet precies weten. Bovendien zijn sommige sprookjes heel oud, maar andere pas in de 19e eeuw bedacht, en dus betrekkelijk jong. Het hangt er om te beginnen dus maar helemaal van af naar welk sprookje je kijkt. Dan nu toch een poging tot een antwoord:

Laten we er even van uitgaan dat sprookjes een heel oud genre vormen (dat is niet zeker: er zijn voldoende volkeren die geen sprookjes hebben gekend). De oudste sprookjes zijn dan in principe mondeling verteld. Dat aller-oudste sprookje zul je niet kunnen dateren, omdat het nooit is opgeschreven (bij gebrek aan schriftcultuur). Het oudste sprookje zal dan wel in de late steentijd zijn verteld, nadat ons brein een evolutiesprong maakte zo’n 200.000 jaar geleden, en menselijke taal, creativiteit en fantasie ontstonden. Rond het kampvuur kunnen de primitieve mensen dus sprookjes aan elkaar hebben verteld. De oudste sprookjes zijn opgetekend zodra culturen het schrift ontdekten. De oude Grieken en Romeinen hebben verhalen opgetekend die we nu nog als sprookjes herkennen. Heel oude sprookjes zijn de verhalen waarin Odysseus tegen de reus (cycloop) vecht, of het drakendoders-verhaal.
Mensen hebben er lang over gedaan voordat ze ook een schrift ontwikkelden. Hun oude verhalen lijken eigenlijk nog niet op de sprookjes zoals wij ze kennen: het zijn vooral spannende avonturenverhalen. Pas veel latere schrijvers als Perrault en de Grimms hebben een specifieke sprookjesstijl ontwikkeld die je in oudere cultuurfasen eigenlijk zelden tegen komt.

Sprookjes zouden dus heel oud kunnen zijn, maar de meeste zijn het waarschijnlijk niet. Sommige sprookjes stammen uit de middeleeuwen, maar sprookjes worden pas in het Italië van de 16e en 17e eeuw een echte hit, met schrijvers als Straparola en Basile. In de 17e eeuw nemen de Fransen het over met Perrault en Madame d’Aulnoy. In de 18e en 19e eeuw zijn de Duitsers er vatbaar voor (Musäus, de Grimms, Bechstein) en Denemarken brengt in de 19e eeuw een echte sprookjesschrijver voort: Hans Christian Andersen. Veel sprookjes lijken dus na de middeleeuwen te zijn ontstaan en op schrift. Vroeger noemde men dat kunstsprookjes i.t.t. volkssprookjes. Een beroemd sprookje als Hans en Grietje kennen we pas sinds de 19e eeuw; daarvóór is het nergens gevonden.

4. Voor wie zijn sprookjes oorspronkelijk eigenlijk geschreven? Waren ze altijd al voor kinderen bedoeld of voor een andere doelgroep?

Gezien de volwassen trekken van de oudere sprookjes wordt verondersteld dat de oudere sprookjes eerder voor pubers en volwassenen bedoeld waren. Veel jonge helden in sprookjes moeten zich zien los te maken van hun ouders, en een zelfstandig bestaan leren opbouwen met een jonge partner. Nogal wat sprookjeshelden zijn pubers in de leeftijd dat ze op zoek gaan naar een huwelijkspartner. Pas gaandeweg de 19e en 20e eeuw zijn sprookjes een echt kindergenre geworden. Er was aanvankelijk maar een kleine groep sprookjes meteen bestemd voor kinderen: de sprookjes waarin kinderen zelf de hoofdrol spelen, zoals Roodkapje, Hans en Grietje, en de Wolf en de Zeven Geitjes. Dat waren duidelijke waarschuwingssprookjes voor de kleintjes.

5. Zijn er verschillen tussen de sprookjes van vroeger en van nu en wat zijn die dan?

Uit het voorafgaande is al gebleken dat dat zo was. Oudere sprookjes zijn wreder, gewelddadiger en seksueel getinter. Er is vaak minder compassie en medelijden in de oudere sprookjes. Liefde voor de natuur komt in oudere sprookjes zelden voor, liefde voor dieren ook niet zo vaak. Niemand zit ermee als een kat in een verhaal een schop krijgt als men denkt dat het een heks is. Als een held met twee koeien in een zinkende boot zit, springt hij in oudere versies uit de boot en laat de koeien verdrinken. In modernere versies roeit de held eerst nog naar de kant en jaagt ze het bos in. Vlak voordat het hele kasteel van Doornroosje in slaap valt, dreigt de kok het koksmaatje een draai om de oren te geven. Die klap wordt in moderne versies verzwegen want als kindermishandeling ervaren. In oudere versies kan een gevangen meisje door rovers worden misbruikt als seks-slavin, en worden haar baby’s vermoord, in moderne versies wordt ze gedwongen om het huishouden te doen en kippen te plukken (da’s in de huidige optiek al erg genoeg). Kortom, vertellers passen sprookjes steeds aan aan de nieuwe heersende normen en waarden, en aan het publiek.

6. Is er misschien een cultuurhistorische verklaring voor het succes van dit soort literatuur?

Deze vraag is wel heel algemeen. Met dit soort literatuur bedoelen jullie kennelijk sprookjes, maar bedoelen jullie door de eeuwen heen? Het is namelijk niet zo dat sprookjes door de eeuwen heen altijd maar een dominant en geliefd genre zijn geweest. Belangstelling voor sprookjes en fantasy zie je in golfbewegingen komen en gaan, en per land verschillen. Sprookjes zijn duidelijk bedoeld als fictie en kunnen in verschillende tijden en streken een ideaalbeeld en een tijdelijke escape uit de werkelijkheid vormen: denk aan het ideaal van het eenvoudige landleven waarbij men kan wegdromen. In sprookjes zit vaak één of andere wensdroom verscholen: een verlangen naar een beter leven, een ideale partner, erkenning, verlossing van armoede en honger… In sprookjes wordt het kwaad steeds door het goede overwonnen, en dat is natuurlijk een krachtige boodschap waarin we graag willen geloven. Wellicht dat in tijden van crisis en tegenslag er sneller op het sprookje wordt teruggegrepen – tijden van hongersnood, pestilentie en oorlog(sdreiging) om het leven wat meer kleur en hoop te geven. Je kunt je afvragen welke crisis er nu heerst dat sprookjes weer zo populair zijn. De Harry Potter-boeken lijken populair te zijn geworden in een periode van ideologische desoriëntatie en onzekerheid over de eigen westerse identiteit. Mogelijk valt het te verklaren vanuit de verscherping van de tegenstellingen tussen het westen en de islam. Gaat het om redelijk willekeurige modegolven of cultuurhistorisch te duiden ontwikkelingen? Ik durf hierover geen al te stellige uitspraken te doen.

7. Waarom zijn deze verhalen zo dominant aanwezig in de massacultuur?

De vraag impliceert dat dit zo is: sprookjes zijn dominant aanwezig in de massacultuur. Ik denk dat dat vele eeuwen lang niet echt steeds gegolden heeft. Bedenk bovendien dat volkeren als de Maori, de Aborigines en vele Indianenstammen nooit sprookjes hebben gekend. Sprookjes zijn een Euraziatisch fenomeen (met medeneming van het Midden-Oosten en Noord-Afrika). Hoe zouden de Maori verhalen over ridders en prinsessen hebben moeten ontwikkelen als ze zelf nooit een feodaal tijdperk hebben meegemaakt? Pas met de komst van de kolonisten zijn dergelijke volkeren in aanraking gekomen met sprookjes. Met andere woorden: sprookjes zijn geen universeel fenomeen. En ze zijn dus niet altijd en overal dominant geweest. Het is eigenlijk pas sinds het enorme succes van de Kinder- und Hausmärchen (19e eeuw) van de gebroeders Grimm dat sprookjes echt in ons aller collectieve geheugen terecht zijn gekomen. We worden sindsdien van kinds af aan geconfronteerd met een hoeveelheid uitverkoren sprookjes. Ruim een eeuw lang herkennen we de parodieën op sprookjes en de sprookjestaferelen in pretparken omdat een zekere hoeveelheid sprookjes tot onze canon en onze opvoeding is gaan behoren. Dat komt vooral ook omdat volwassenen (en leraren) zijn gaan vinden dat sprookjes deel van ons cultureel erfgoed zijn geworden, en dat een opvoeding zonder sprookjes eigenlijk ondenkbaar is.

8. Hoe hebben religieuze stromingen in West-Europa zich verhouden tot het fenomeen sprookjes?

Ik beperk me even tot de christelijke stromingen. Gematigde stromingen van het katholicisme en het protestantisme hebben eigenlijk nooit moeite gehad met sprookjes, zolang ze als een vorm van aangename fictie werden beschouwd. Hoogstens had men wel eens bezwaar tegen de onwaarachtigheid (leugenachtigheid) van sprookjes. Vergelijking van Noord- met Zuid-Nederland heeft uitgewezen dat katholieken gemiddeld het meest van wondersprookjes of toversprookjes houden, dus sprookjes met magie of iets wonderbaarlijks erin. Wondergeloof is het katholicisme immers niet vreemd. Katholieke vertellers laten ook met gemak Jezus of Petrus in hun sprookjes een rol spelen zonder dat iemand daar aanstoot aan neemt. Het Vaticaan verwacht van zijn gelovigen wel dat ze sprookjes opvatten als fantasie. Toen kinderen de Harry Potter boeken wat al te serieus begonnen te nemen, werd er vanuit het Vaticaan wel negatief op de toverij en hekserij in de Potter-boeken gereageerd, maar dit bericht werd enige tijd later weer herroepen. Protestanten lijken gemiddeld wat minder gecharmeerd te zijn van wondersprookjes: zij lijken wat meer de voorkeur te geven aan avontuurlijke en grappige sprookjes (zonder magie).

Er is eigenlijk maar één groep die vrij systematisch tegen sprookjes is: de orthodox gereformeerden. Zij nemen de toverij, toekomstvoorspelling en hekserij in sprookjes ernstig op, en halen bijbelcitaten aan die zich keren tegen deze vormen van occultisme, ketterij en satanisme, waarvan zij in het dagelijkse leven maar al teveel reële voorbeelden menen te zien.

Aanbevolen literatuur:

Dekker, Van der Kooi & Meder: Van Aladdin tot Zwaan Kleef Aan.

Meder (ed.): Van Kikvors tot Droomprins. Over de Wording van het sprookje. Online: http://www.docvolksverhaal.nl/images/stories/file/KikvorsDroomprins.pdf

Marina Warner: Once upon a time: a short history of fairy tale.

1 Comment

Filed under Uncategorized